Het kwetsbare individu; Verhalen van Marie Kessels

Schuwe schrijvers hebben iets heroisch. Het moet eenvoudiger zijn om zich van tijd tot tijd de aandacht van radio, televisie of krant te laten welgevallen, dan om jarenlang alleen maar in stilte aan een oeuvre te werken. Marie Kessels verschuilt zich al vanaf haar debuut Boa (1991) achter haar pseudoniem. Zij geeft geen interviews en vertoont zich als schrijfster niet in het openbaar, ook niet als ze is genomineerd of als haar een prijs is toegekend.

Wel raakte op zeker moment bekend dat zij verkoopster is van snoep en broodjes in een stationskiosk, werkzaamheden die zij in geuren en kleuren beschreef in de roman De god met gouden ballen (1995). Ik heb dat altijd wel een sympathiek contrast gevonden: overdag de kost verdienen met een simpel baantje en in de vrije tijd werken aan een hoogst bijzonder en niet al te best verkopend oeuvre.

Frits Abrahams probeerde vorige week in deze krant dit contrast in een klap teniet te doen door een impliciete uitnodiging. In de kiosk `bovenaan de roltrap naar de perrons' kon men de schrijfster rolletjes drop zien verkopen, zo meldde hij, na zijn waardering te hebben uitgesproken voor haar stilistische vaardigheden. Dat iemand nieuwsgierig is naar een bewonderde schrijver is niet zo vreemd. Al nodigt zijzelf, als wij een en ander autobiografisch mogen opvatten, de lezer in De god met gouden ballen niet speciaal uit om haar in haar kiosk op te komen zoeken. De meeste klanten worden met grote terughoudendheid, vaak zelfs met enige weerzin beschreven, terwijl alleen de bijzondere exemplaren, de zwervers, de bedelaars, de zonderlingen, op enig respect kunnen rekenen. Maar de meeste genegenheid gaat, behalve naar een zieke minnaar, uit naar ogenschijnlijk levenloze zaken: de worstenbroodjes, de appelflappen, de lichtval, de roosvensters naar alles wat zich weet te onttrekken aan de `opdringende mensenzee'.

Iedere collectiviteit is dit schrijverschap vreemd. Een rijk geschakeerde, strikt individuele, zich in alle mogelijke bochten kronkelende gedachtewereld, dat is wat de hoofdfiguren van Kessels kenmerkt. Ieder van hun bezigheden neemt al gauw de vorm aan van een obsessie. In haar nieuwe, vierde boek, Ongemakkelijke portretten, geen roman deze keer maar een verzameling van 23 korte verhalen, gaat het ook weer om meer of minder zonderlinge figuren.

Geen echte outcasts weliswaar, maar wel buitenbeentjes, types die niet willen opgaan in de massa. Ieder voor zich proberen ze zich staande te houden door trouw te blijven aan wat hen van de anderen onderscheidt: een verslaving aan tassen, een onvoorwaardelijke opvatting over vriendschap, slapeloosheid uit overtuiging, of een passie voor bomen, haar, bloed, zweet of vuil. Het vuil bijvoorbeeld, door de meeste mensen met verve bestreden, krijgt hier zijn waardigheid terug. `De vacht van de dingen', zo wordt het liefdevol genoemd, `een vorstelijk kleed, een gewaad van hermelijn.'

Wat Kessels beschrijft, onveranderlijk in mooie en welluidende zinnen is eigenlijk altijd hevig, maar vaak toch ook erg komisch. Het personage dat wel iets ziet in het offeren van eigen bloed om daarmee zijn existentiele benauwdheid te verdrijven, stelt na een onrustbarende verhandeling over mogelijke methodes, droogjes vast: `Maar je kunt je natuurlijk niet eeuwig als een pelikaan blijven openrijten!'

Het is een mateloze, maar stille wereld die wordt opgeroepen in Ongemakkelijke portretten. Want alles speelt zich af in dat ene hoofd van de geobsedeerde. Zegt iemand dat hij bij het horen van het woord groen een `vloedgolf' creeert, waarvoor hij `ternauwernood opzij kan springen', dan is dat een puur interne aangelegenheid. Dat is meteen ook de zwakte van de bundel. Er is iets steriels aan de portretten die Kessels geeft. Ze zijn net iets te kort en te theoretisch om helemaal te kunnen overtuigen. De obsessies waarmee zij haar personages graag opzadelt, komen beter tot hun recht in de lengte en de breedte, in het wijdvertakte thema met eindeloze variaties, zoals in Boa, Een sierlijke duik en De god met gouden ballen: in alle opzichten sprankelende, prikkelende en van emoties bijna uit elkaar spattende romans.

Wie die romans niet kent, zal waarschijnlijk aangenaam verrast zijn door Kessels portrettengalerij, die zich ook goed laat lezen als een thema met variaties.

Alle portretten, hoe verschillend ook, zijn terug te brengen tot deze ene hamvraag: hoeveel concessies moet een mens doen om in het maatschappelijke leven nog enigszins aanvaardbaar gevonden te worden? In elk antwoord op die vraag zit wel een hilarisch moment, een verrassend gezichtspunt of een ontroerende wending.

Explicieter dan in haar romans neemt Kessels deze keer het kwetsbare individu in bescherming. Hoe mal, bang driftig, lelijk of onaangepast hij ook mag zijn, hij is haar lief. Oneindig veel liever dan de `ziedende meute', de `kolossale, naamloze zwerm', de opdringende mensenzee die op straat, in winkels of in stationsgebouwen aan minder dan een seconde genoeg heeft om over die ene zonderling heen te walsen.