Het Grote Plakboek; Grunberg rond de wereld

SIENA Ik heb een vrouw en een kind op mijn geweten. De vrouw is de moeder van het kind en het kind is nooit geboren. De man die in Parkhotel Siena het ontbijt naar onze kamer bracht was verbaasd mij alleen aan te treffen die zondagochtend. Ik merkte hoe hij zocht naar de vrouw die hij al drie ochtenden in kamer 406 onder de dekens had zien liggen. Maar die was er niet. Die was de avond ervoor met dekens en al naar de riante badkamer verhuisd en daaruit was ze niet teruggekeerd.

“Zet het daar maar neer', zei ik in het Engels. Ik veegde wat sokken en panty's van het tafeltje. Het leek wel alsof twintig asielzoekers met al hun bezittingen in kamer 406 huisden, maar het waren slechts de Soepstengel en ik.

Hij keek me wantrouwig aan.

“Alles goed?' vroeg hij.

“Ja', zei ik, “alles goed, we hebben niets meer nodig.' Ik gaf hem tienduizend lire fooi. Toen hij weg was klopte ik op de badkamerdeur.

“Het ontbijt is er', riep ik.

De Soepstengel deed open. Haar ogen waren dik. Het was werkelijk een riante badkamer maar een bad is altijd beter dan een badkuip, ook al lig je op een deken. Ze liep de kamer in en bekeek het ontbijt. Op haar linkerdijbeen zat een grote blauwe plek. Druiven, croissantjes, chocolademelk, een halve grapefruit, capuccino.

“Drink jij geen capuccino?'

“Ik heb voor de verandering eens chocolademelk besteld', zei ik. Ze ging op bed zitten en ik gaf haar de capuccino aan en wat druiven.

“Ik wil geen druiven', zei ze. Ze duwde mijn hand weg.

“Heb je geslapen?'

“Nee', zei ze, “ik heb nagedacht.'

Ik liep naar het raam en deed de gordijnen open. Het was de eerste mistige dag. In de heuvels zagen we Siena liggen.

“Ik kan het niet nog een keer aan', hoorde ik de Soepstengel zeggen, “ik heb het een keer eerder gemaakt, toen was ik een jaar depressief.'

“Wat is een jaar depressie vergeleken met een mislukt leven', fluisterde ik.

“Laten we er niet meer over praten, laten we er alsjeblieft niet meer over praten.'

Ze zette haar koffie met een klap terug op het dienblad.

“Ik praat niet' zei ik, “ik vroeg alleen of je druiven wilde. Moet je kijken hoe mooi de kleuren van de bladeren.' Ze kwam naast me staan.

“Moet dan alles wijken voor die kutstukjes van je en die kutboeken, is er dan niets belangrijker dan dat, is er dan helemaal niets belangrijker dan dat?'

“Zulke mooie bladeren', zei ik, “heb ik tot nu toe alleen ten noorden van New York gezien.' Ze nam een croissantje van het dienblad en beet erin.

“Je hebt werksterbillen', zei ik.

“Wat?' Ze draaide zich abrupt om. “Wat voor billen?'

“Werksterbillen.'

“Wat zijn dat voor billen?'

“Oh', zei ik, en veegde wat haren uit haar gezicht, “dat zijn billen die iedere dag een beetje uitdijen en ook op een heel eigenaardige manier heen en weer bewegen. Sommige mensen houden er niet zo van, maar persoonlijk vind ik het een ongekende delicatesse.'

Even lachte ze, maar toen zei ze, “probeer je maar weer eruit te redden met je charmes.' Ze gooide haar croissantje op het dienblad. Koffie en chocolademelk spatten op.

“Voel jij eigenlijk wel eens iets, behalve die momenten van de dag dat je typt?'

Ik keek naar mijn laptop die ik voor de verandering mee had genomen op reis en toen naar haar werksterbillen. Ik herinnerde me hoe we een paar avonden ervoor een discussie hadden gehad welke kracht sterker was, die om leven te geven of die om leven te nemen. Dat wij leven, had ik gezegd, bewijst niets, niets, helemaal niets. Ik ging vlak voor haar staan.

“Maar lieve Soepstengel', zei ik, “je weet niet eens wie de vader is.'

Ik keeg een oorvijg. Mijn bril vloog op het bed. Ze bleef me aankijken. Ik zag, zelfs zonder bril, hoe tranen over haar wangen liepen. Alleen de waarheid doet pijn, dacht ik, al het andere nooit echt, sentiment op zijn best. Ik dacht aan die middag dat ze had gezegd: “Is dat niet een beetje onpersoonlijk?' En ik had geantwoord: “Ja, dat is onpersoonlijk, je hebt gelijk, zo moeten we geen seks hebben.' Ik had haar hoofd vastgehouden en zo waren we in slaap gevallen tot we om half twaalf 's avonds wakker werden en tot de ontdekking kwamen dat we nog niet gegeten hadden.

“Ik heb je vanaf het begin af aan gezegd', zei ze, “dat ik het niet nog een keer zou doen.' Ik nam een hap van de yoghurt.

“Werksterbillen van achteren', zei ik, “en kutkaas van voren, dat vat je persoonlijkheid afdoende samen.'

Ze rukte de deur open en rende de gang op. Ze droeg alleen een iets te kort t-shirtje. Ik rende achter haar aan.

“Soepstengel, kom terug', riep ik, “ze gooien ons eruit en waar moeten we dan heen?'

Ze rende door. Ik had mijn bril niet op, dus ik zag niet veel. Bovendien besefte ik dat ook ik alleen een onderbroek aan had. Bij de lift bleef ze staan.

“Ik word misselijk van je arrogantie. Dat jij er zelf niet misselijk van wordt.' We liepen naar de kamer. Gelukkig had niemand ons gezien.

“Ik laat mijn leven niet kapot maken', zei ik, “ik laat het niet kapot maken. Niet door jou, door niemand.'

Ze zocht in haar tassen naar een schone onderbroek.

“Waar heb jij het over, man dat is allang kapot.'

“Wil je een onderbroek van mij?, vroeg ik.

“Als je nog een schone over hebt.'

De telefoon ging. Het was mijn moeder.

“Dat stuk dat je verleden week in NRC Handelsblad hebt geschreven', zei mijn moeder, “dat plak ik niet in, dat is te schunnig.'

Mijn moeder heeft een Groot Plakboek waarin alles wordt geplakt. Opeens zag ik haar in een donkere kamer met lijm en schaar in de weer gebogen over het Grote Plakboek.

“Als je zo doorgaat', zei ze, “ga je failliet.'

De angst dat ik failliet zal gaan heeft mijn moeder al jaren in haar greep.

“Je hebt gelijk', zei ik. “Het was een beetje te schunnig, maar het is allemaal verzonnen.' Zouden alle schrijvers een moeder hebben met een Groot Plakboek?

Ergens in dat Grote Plakboek zou ik mijzelf vinden, als ik maar lang genoeg bladerde. Maar wie zou ik vinden? Een klein bang mannetje, springend van toets naar toets, ongeveer zoals Wiplala deed, toen hij moest typen.

“Als je het niet wilt inplakken, omdat je het te schunnig vindt, moet je het niet inplakken, het is jouw plakboek.'

“Maar ik maak het toch voor jou', zei mijn moeder, “het is jouw plakboek voor later.'

“Nou dan plak je het wel in.'

Ik keek naar de Soepstengel die een van mijn onderbroeken aantrok.

“Nee', zei mijn moeder, “zoiets schunnigs plak ik niet in. En waarom krijg ik die Soepstengel niet te zien over wie je de hele tijd schrijft, en hoe kun je iemand een Soepstengel noemen?'

“Ze vindt het helemaal niet erg een Soepstengel te worden genoemd, geloof me, ze zou het veel erger vinden als ik haar echte naam gebruikte. Nee, ze is reuze tevreden met Soepstengel. Verder is ze nogal mensenschuw.' Toen hing mijn moeder op.

“Wat wilde ze?', vroeg de Soepstengel.

“Ze vond mijn stuk te schunnig om het in te plakken dat is alles.'

“Je schunnige stukjes zijn je beste', zei de Stoepstengel. En weer zag ik mijn moeder in een donkere kamer met lijm en schaar in de weer, gebogen over het Grote Plakboek. Ik deed de Stoepstengel mijn onderbroek uit en ik beet in haar werksterbillen tot tranen uit ogen stroomden. Of misschien moesten we gewoon heel erg lachen.