Het ene woord dat alles zegt; Jorge Luis Borges als filosofisch verteller

Borges is de meester van de mystificatie. Altijd blijft de vraag: is het werkelijkheid of fantasie? De eerste twee delen van zijn verzameld werk zijn nu in Nederlandse vertaling verschenen. Ger Groot over het complete oeuvre dat misschien wel niet compleet is.

Mysteries en mystificaties passen goed bij het werk van Jorge Luis Borges. Vrijwel al zijn verhalen en essays cirkelen eromheen. Neem zijn bundel Wereldschandkroniek uit 1935, waarmee de Nederlandse uitgave van zijn Werken in vier delen opent. Het is een barokke portrettengalerij van rapalje en geboefte, waarvan maar niet duidelijk wil worden hoeveel verbeelding en hearsay Borges daar doorheen heeft gemengd. Ook al geeft hij er nog zoveel bio- en bibliografische bronnen bij, met een hardnekkigheid die soms op name-dropping gaat lijken, zeker weet je dat bij Borges nooit.

In het encyclopedisch opgezette Boek van de denkbeeldige wezens, waarmee het zojuist verschenen tweede deel begint lijken die bronnen tamelijk betrouwbaar. Ook de wezens zelf (de Behemoth de Cheshire kat, de Phoenix en de Griffioen) maken over het algemeen een bekende indruk. Maar hoe zit het met de Anglo-American Cyclopaedia: een veronderstelde herdruk van de Encyclopaedia Brittanica van 1902), waarvan Borges' vriend Bioy Casares een exemplaar bezeten zou hebben met een lemma (`Uqbar') dat in andere exemplaren niet voorkomt? En met het werk van Herbert Quain, waarvan Borges de publicatiegeschiedenis gedetailleerd schetst, maar dat nergens te vinden is?

Die twee laatste bibliografische raadsels vinden we in de bundel De tuin met zich splitsende paden uit 1941, die vier jaar later werd opgenomen in de bundel Fantastische verhalen. Daarin heeft Borges, bijna twintig jaar na zijn prozadebuut, de stijl gevonden die hem beroemd zou maken en het genre geintroduceerd waarmee zijn naam verbonden zou blijven. `Ficties' (Ficciones) noemt hij zijn bundel, en dat is niet helemaal hetzelfde als `fantastische verhalen'.

Eerder dan verhalen zijn het vaak fictieve studies die Borges schrijft: droomessays, metafysische monologen of minibiografieen die soms tegen de necrologie aanliggen. Die genres rekenen we gewoonlijk tot de non-fictie en alleen de fantastische inhoud ervan maakt ze bij Borges tot `literatuur' in de meest grove zin van het woord: `literatuur' als iets dat gaat over iets dat niet echt (gebeurd) is.

Echte' dingen

Langzaam begint die strikte scheiding tussen fictie en non-fictie wel te wankelen. `Literaire non-fictie' heet tegenwoordig een mooi geschreven boek dat over `echte' dingen gaat. Maar bij Borges is eerder het omgekeerde het geval. Bij hem worden niet-literaire genres literair omdat zij hun relatie met de observeerbare werkelijkheid prijsgeven, niet omdat zij in een andere stijl geschreven zijn. Zijn essays beschrijven een realiteit die mogelijk is, doordat ze varieren op wat werkelijk is: een bibliotheek waarin alle bestaande en alle denkbare boeken te vinden zijn (De Bibliotheek van Babel), een oeuvre dat geheel uit plagiaat bestaat (Pierre Menard, schrijver van de Quichot) of een boek met een oneindig aantal bladzijden (Het boek van zand uit de gelijknamige bundel).

Van een weergave van de werkelijkheid is hier geen sprake en Borges pretendeert dat ook niet. Hij heeft zichzelf altijd een slecht observator genoemd. Toch noemt hij zijn essays in het voorwoord van Het verslag van Brodie realistisch. Ze gaan - door de realiteit heen - over datgene wat de werkelijkheid tot werkelijkheid maakt. Het resultaat daarvan is het hallucinatoire realisme van zijn `ficties', die zelfs de status van zijn eigen werk lijkt te hebben aangeraakt. Want is er wel zoiets als `het werk' van Borges, dat je als een mooi afgerond geheel in een cassette in de kast kunt zetten?

In de Nederlandse editie in vier delen zullen we die niet aantreffen, want van de dertien prozabundels die de in 1989 verschenen Spaanse uitgave van de Obras completas telt, vinden we er in de Nederlandse maar negen en een halve terug, terwijl aan het uitgebreide dichtwerk van Borges (bijna even omvangrijk als zijn proza) alleen het laatste deel gewijd is. Aan de andere kant bevat deze uitgave wel weer een bundel die in de Obras completas niet voorkomt: Het boek van de denkbeeldige wezens, dat Borges in 1967 schreef samen met Margarita Guerrero. De veertien boeken die Borges in samenwerking met andere auteurs geschreven heeft (en waarvan ook die met Adolfo Bioy Casares in het Nederlands beschikbaar zijn, maar in de uitgaven van de Bezige Bij ontbreken) werden in Spanje uitgegeven in een aparte band, naast de Verzamelde werken, in totaal nog eens ruim duizend dichtbedrukte bladzijden.

`Compleet' is bij Borges dus nooit helemaal compleet. Aan de oorspronkelijke drie banden van de Spaanse Obras completas worden met enige regelmaat nog nieuwe banden toegevoegd, als een zichtbare illustratie van de stelling van de Franse filosoof Jacques Derrida, dat alles wat volledig lijkt altijd een verborgen supplement heeft. Het maakt de onvolledigheid van de Nederlandse editie er in ieder geval wat draaglijker op. Voor een `definitieve' Nederlandse Borges-editie is het kennelijk nog te vroeg, maar voorlopig kan deze statige uitgave die volgend jaar bij Borges' honderdste geboortedag moet zijn afgerond voor een goede (zij het wel erg prijzige) vervanging zorgen.

Fictie

Borges' verzameld werk is waarschijnlijk net zo'n `fictie' als waarmee hij vanaf de jaren veertig naam heeft gemaakt en waarin hij het fantastische verhaal een nieuwe gestalte gaf.

Hij maakte de werkelijkheid niet langer unheimlich door er van buitenaf een vreemd element aan toe te voegen, zoals de klassieke fantasie, waarvan hij in het Boek van de denkbeeldige wezens de inventaris opmaakt en in Het boek van zand een paar onbevredigende proeven geeft, had gedaan. Zijn kracht schuilt in fantasieen die niet in de wereld ingrijpen, maar die gaan over de wereld als geheel, dat wil zeggen over de voorwaarden die maken dat de werkelijkheid er als een `wereld' uitziet.

In het beroemde essay `De analytische taal van John Wilkins' uit De cultus van het boek, dat in de derde band van de Nederlandse editie een plaats moet krijgen citeert Borges een Chinese encyclopedie, waarin het dierenrijk wordt onderverdeeld in dieren `a) toebehorend aan de Keizer, b) gebalsemde dieren, c) getemde, d) speenvarkens, e) zeemeerminnen, f) fabeldieren g) zwerfhonden, h) die welke in deze classificatie zijn opgenomen, i) die welke te keer gaan als dwazen, j) ontelbare, k) die welke zijn getekend met een heel fijn kameelharen penseel, l) enzovoort, m) die welke net een vaas hebben gebroken, n) die welke in de verte op vliegen lijken.' De absurditeit van die onderverdeling is geen oosters voorrecht. Direct daarna citeert Borges het Bibliografisch Instituut van Brussel dat het universum al even bizar zou hebben `verkaveld in duizend onderafdelingen waarvan nummer 262 de Paus toebehoort, nummer 282 de Rooms-Katholieke Kerk, nummer 263 de Dag des Heren, nummer 268 de zondagsscholen, nummer 298 het mormonisme', enzovoort.

Kennelijk, zo concludeert Borges `bestaat er geen classificatie van het universum die niet arbitrair en hypothetisch is', en of hij de opgevoerde voorbeelden nu uit zijn duim gezogen heeft of niet, dat is hetzelfde als wat, langs heel andere wegen ook de twintigste-eeuwse filosofie heeft ontdekt.

De wereld is niet gegeven maar door ons gemaakt, en daarbij vervult de taal een cruciale functie. De wereld is zoals we haar benoemen en heeft alleen maar een orde waarin we kunnen wonen omdat we die met woorden scheppen.

Heidegger bracht dat tot uitdrukking in de (alleen maar ogenschijnlijk duistere) woorden dat `de taal het huis van het Zijn is', maar op hun eigen manier zijn ook veel Angelsaksische filosofen ervan overtuigd geraakt dat taalsystemen ways of worldmaking zijn, zoals de Amerikaanse filosoof Nelson Goodman het heeft genoemd. En Michel Foucault betoogde in zijn ophefmakende boek De woorden en de dingen al niets anders, en illustreerde dat met Borges' verhaal over de Chinese encyclopedie.

Kansspel

Borges laat in zijn `ficties' zijn verbeeldingskracht los op hetzelfde terrein als waarop filosofen hun speculaties plegen. Daarom citeren zij hem zo graag. Zijn fantasie is wat voor hen het gedachte-experiment is: stel dat de orde van de wereld anders zou zijn dan wij menen... Maar misschien nog wel unheimlicher is de ontdekking dat zo'n bizar experiment niet een vreemde, maar nu juist onze wereld oplevert. Zoals in het verhaal `De loterij van Babylonie', waarin het leven beheerst wordt door een kansspel dat steeds meer aspecten van het bestaan omvat. Niet alleen winst en verlies, maar ook dood en leven en de gebeurtenissen van alledag worden er tot in steeds de kleinste details bepaald door geheime trekkingen van het lot, die zich daardoor tot in het oneindige vermenigvuldigen. Het resultaat is een samenleving die zich in niets van de onze onderscheidt, behalve in de overtuiging dat alles door een geheime loterij wordt bepaald. Maar ook die overtuiging onderscheidt zich in niets van ons geloof in het toeval.

Je zou dat kunnen lezen als een parodie op de godsdienst, maar voor zo'n platte Verlichtingsparabel is Borges te zeer geintrigeerd door het mysterieuze en paradoxale in de werkelijkheid zelf. Niet de nuchterheid achter het waandenkbeeld interesseert hem, maar, omgekeerd, de waan achter de nuchterheid, die elke realiteit zo vreemd als fictie maakt. Vandaar zijn grote voorkeur voor Angelsaksische auteurs, en dan vooral de Kelten onder hen: Ieren en Schotten. In hen leeft de dubbelzinnigheid van de rede nog voort, niet bij de rationalistische Fransen of systematische Duitsers, die je bij Borges dan ook veel minder aantreft.

Het Angelsaksisch gebied met zijn mist, lyriek en ondoorgrondelijke logica, onderhoudt een intieme betrekking tot het wonder dat niet tegenover de rede staat maar daarvan de geheime waarheid vormt. De Angelsaksen die Borges citeert zijn dan ook zelden of nooit logisch-empiristen, maar schemerdenkers en idealisten wier overpeinzingen zich in het onbestemde verliezen: de traditie van Berkeley Blake, De Quincey, Stevenson, Chesterton en, in het niet-Angelsaksische noorden, Swedenborg.

Niet dat deze denkers de rede vaarwel hebben gezegd. Soms grondvesten zij hun gedachten zelfs uitdrukkelijk daarin en is het juist de tot in het uiterste volgehouden `geometrische geest' die hen in een mystieke wereld stort. Zoals dat gebeurt bij Spinoza, die Borges graag citeert, of (aan de andere kant van het spectrum) de Kabbala die de Heilige Schrift leest als een rekenkundige calculus en daaruit wiskundig-mystieke waarheden afleidt die de geest doen duizelen. Die duizeling is het gevolg van het spiegelspel waarin niet alleen de taal de werkelijkheid weerkaatst, maar de werkelijkheid op haar beurt ook de taal.

Wanneer je twee spiegels tegenover elkaar houdt, krijg je een oneindige weerkaatsing waarin alles naar alles verwijst maar niets meer `echt' is.

Nergens heeft Borges dat spel zo mooi beschreven als in zijn `fictie' De bibliotheek van Babel, die bestaat uit de volledige verzameling boeken die met een alfabet van vijfentwintig letters te schrijven zijn. Elk mogelijk boek is erin terug te vinden, al zal dat maar een enkele keer een begrijpelijke zinsnede of bladzijde opleveren dobberend in een zee van zinloze combinaties. In een voetnoot tekent Borges aan dat zo'n bibliotheek niet eens nodig is om alle mogelijkheden uit te putten. In een boek dat alle denkbare bladzijden zou bevatten, zou die volledigheid net zo goed gerealiseerd zijn. Op de juiste wijze gerangschikt, zou uit die bladzijden elk bestaand en onbestaand boek kunnen worden ge(re)construeerd.

De `fictie' van zo'n boek heeft Borges later in zijn korte verhaal `Het boek van zand' uitgewerkt. Daarin vertelt hij hoe hij van een bezoeker een `heilig boek' koopt waarvan het aantal bladzijden oneindig is en waarin een eenmaal gelezen passage dan ook nooit meer kan worden teruggevonden. Die oneindigheid laat de bezitter niet met rust en tenslotte besluit hij het boek kwijt te raken op de meest aangewezen plek: op een verloren plank in de Nationale Bibliotheek, waar het - temidden van bijna een miljoen andere boeken - ook zelf onvindbaar raakt.

Regels

Toch had Borges in de voetnoot bij zijn bibliotheek-verhaal nog verder kunnen gaan en met een bladzijde kunnen volstaan, waarop alle mogelijke regels waren afgedrukt. En tenslotte had hij zelfs genoegen kunnen nemen met vijfentwintig spaties, een voor elke mogelijke letter, uit de combinaties waarvan de hele bestaande en nog niet bestaande literatuur zou kunnen worden afgeleid.

En daarmee waren we opnieuw in de bestaande wereld aangeland, want dat procede is precies wat er bij het schrijven gebeurt. Uit een eindeloze herhaling van een beperkte keuze, letter na letter, ontstaat een oneindige varieteit aan teksten. De onafzienbare bibliotheek van Babel is in werkelijkheid niets anders dan de onbegrensde vrijheid van de schrijver voor zijn beeldscherm of vel papier. Ook dat fantastische verhaal ontleent zijn unheimlichkeit uiteindelijk alleen maar aan de duizelingwekkende mogelijkheid van onze eigen, meest vertrouwde wereld.

Wat Borges in dit verhaal in scene zet is hetzelfde als wat er volgens structuralistische filosofen gebeurt wanneer `tekensystemen' een oneindige waaier aan teksten voortbrengen. Net als in Borges' bibliotheek is de taal bij hen teruggebracht tot een louter formeel systeem, waarin alleen de combinaties van letters en tekens een rol spelen, niet de werkelijkheid. Of beter gezegd: die werkelijkheid is zelf een teken, net als Borges' bibliotheek `het universum' is. Het spiegelspel tussen die twee is oneindig, maar leeg, zoals ook vrijwel alle boeken in Borges bibliotheek inhoudsloos zijn. In dit formele spel van weerkaatsing is er geen realiteit meer die de woorden tot een reele betekenis dwingt en kan de woordmachinerie eindeloos blijven doordraaien.

Volgens George Steiner is dat precies de ziekte van de hedendaagse filosofie en literatuurwetenschap. Het contract tussen de woorden en de werkelijkheid is verbroken en een eindeloze brij van elkaar becommentarieerde teksten is daarvan het gevolg. Ongetwijfeld is Borges met zijn onaflatende, soms uitgesproken pedante, verwijzingen naar al dan niet bestaande boekwerken en duistere schrijvers de incarnatie van deze papieren boekenwereld die zich voor het hele universum houdt.

Ook de voormalige structuralist Umberto Eco heeft zich uiteindelijk hardhandig losgemaakt uit deze illusoire wereld waarin alleen nog maar woorden en teksten bestaan. Aan het slot van zijn roman De naam van de roos laat hij Borges' alter ego Jorge de Burgos samen met diens hele bibliotheek in vlammen opgaan. Daarmee nam hij al een voorschot op zijn afrekening met de profeten van de eindeloze interpretatie die hij in romanvorm in De slinger van Foucault en filosofisch in zijn polemische studie De grenzen van de interpretatie ondernam.

Hoofd afhakken

Toch lijkt ook Borges zelf soms te verlangen naar een werkelijkheid die niet langer ligt ingebed in een boek of een woord, maar die simpelweg is wat ze is. In het verhaal `De spiegel en het masker' vertelt hij hoe een dichter in opdracht van een Noorse koning jarenlang werkt aan het volmaakte gedicht, dat uiteindelijk uit een regel zal bestaan. En in zijn `Parabel van het paleis' laat hij een koning een dichter die zijn domein bezingt het hoofd afhakken, omdat deze hem volgens zijn zeggen zijn `paleis had ontrukt'. `Sommigen,' schrijft Borges, `zijn van mening dat diens gedicht maar uit een regel bestond; anderen, uit een enkel woord'.

Het ene woord dat alles zegt is waarschijnlijk het eeuwige verlangen van de poezie, waaraan het proza nooit kan tippen. In het proza voldoen alleen eigennamen aan die eis: ze wijzen maar op een persoon, maar zeggen tegelijkertijd niets over hem. In de poezie wordt ieder woord een naam maar zo dat de individualiteit daarvan niet ten koste gaat van de zeggingskracht. Wat Borges in zijn prozastukken moest loochenen, wordt in zijn poezie het voorwerp van zijn verlangen: de onherleidbare werkelijkheid die de woorden nodig hebben om iets te kunnen betekenen en die ze nooit zouden kunnen vervangen.

In zijn voor een deel uit verzen bestaande bundel De maker schrijft Borges op die manier over de maan, misschien wel het meest onaardse en ongrijpbare dat wij kennen en daarom nooit helemaal tot taal herleidbaar.

Misschien is het verzonnen wat ik hoorde

maar zoiets kan ons zinnebeeldig leren

wat altijd het euvel is als wij proberen

ons leven te veranderen in woorden.

Het wezen van de dingen blijft verhuld.

Dat geldt voor alle woorden die bestaan.

Het geldt ook voor mijn omgang met de maan

die in dit resume de verzen vult.

In het heimwee naar dat onuitdrukbare en het verlangen naar het ene woord dat die barriere niettemin zou overwinnen, bleef Borges de dichter die hij van begin af aan geweest was. Maar zijn dichterschap werd ingehaald door zijn essayistiek, die steeds weer opnieuw de onmogelijkheid van dat ultieme, echte woord benadrukte en bewees. Juist in dat laatste was hij stilistisch vernieuwend en in zijn verbeeldingskracht virtuoos, terwijl er aan zijn poezie, hoe knap ook, altijd iets academisch is blijven kleven. Zo vulden zijn `ficties' over de onmacht van de taal zijn dichterlijke onmacht aan, excuseerden het bij gebrek aan beter, en compenseerden het magistraal, maar waarschijnlijk ook altijd een beetje tot zijn eigen chagrijn.