F.J.J. Buytendijk: De vrouw, 1951;

`Er is moed voor nodig, grote moed, durf en uithoudingsvermogen voor iedere vrouw die de traditionele opvattingen en leefwijzen wil doorbreken zeker in een tijd die de heroiek van het militante feminisme niet meer kent.' De KRO-psychiater Kees Trimbos sprak de woorden in 1967 na de rede van zijn leermeester en collega F.J.J. Buytendijk, ter gelegenheid van de jaarvergadering van de Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid. Hij zei het zijn collega niet na, want Professor Buytendijk had niet veel op met feminisme, en had zich op het congres beperkt tot de hoop dat `van onze betere helft' - de vrouw dus - een betere, geestelijk gezonde samenleving zou kunnen afhangen, indien hun meer dan voorheen `het zorgzaam behoeden van het menselijke wordt toevertrouwd.' Geen van de twee sprekers kon vermoeden dat vier jaar later de `tweede feministische golf' de vaderlijke waarschuwingen en wensen gelijkelijk zou wegspoelen.

Buytendijk (1887-1974) was niet alleen tot zijn dood voorzitter van deze katholieke vereniging voor de geestelijke volksgezondheid, hij was ook hoofdredacteur van de beroemde Aulareeks, `het wetenschappelijke pocketboek'. van de uitgeverij Het Spectrum. In die hoedanigheden ijverde hij voor de geestelijke doorbraak van de katholieke elite. Als protestantse bekeerling moet de achterlijkheid van het roomse volksdeel hem een doorn in het oog zijn geweest. Behalve uit het geloof putte Buytendijk zijn inspiratie en methodiek uit twee verschillende bronnen: de ervaringen die hij sinds 1918 als dierpsycholoog, en na de Tweede Wereldoorlog als humane psycholoog, had opgedaan, en de fenomenologie de leer die de verschijnselen voor zich `liet spreken'. Tezamen goed voor een eigenzinnige menskunde, die de fysieke levensfeiten met een streven naar het hogere probeerde te verenigen. In zijn Algemene theorie der menselijke houding en beweging (1949) slaagde Buytendijk erin een duet van lichaam en geest te laten klinken. Maar met het kort daarop verschenen De vrouw (1951) nam hij de proef van zijn antropologie op de som. Het staat er niet met zoveel woorden, maar men mag veilig aannemen dat Simone de Beauvoirs Le deuxieme sexe (1949) - volgens Buytendijk `het belangrijkste boek dat over de vrouw geschreven werd' - hem tot een eigen stellingname heeft geprikkeld. Het idioom van de Franse schrijfster was met de hypnotiserende woordensnoeren van het existentialisme vergelijkbaar. Maar Buytendijks Weltanschauung was een heel andere dan die van de linkse Parijzenaars. Een uitdaging tot repliek.

Na een inleidende bloemlezing van populaire wijsheden over de vrouw, vervolgt Buytendijk met een bespreking van enkele takken van wetenschap die `de vrouwelijke natuur' onderzocht hebben: biologie, psychologie en psychoanalyse hadden serieuze claims op `das ewig-Weibliche'.

De ontdekkingen van de biochemie en het erfelijkheidsonderzoek waren aan Buytendijk, die van oorsprong medicus was, niet voorbij gegaan. Hij besefte de invloed van hormonen en van wat toen nog `het kiem-plasma' heette, nu het genotype. Beter dan een ander gaf hij zich rekenschap van de andersoortige `bedrading' die aan de vrouwelijke houding en beweging ten grondslag lag. Hij wist bovendien de enquetes en tests, die vrouwelijke interessen en attitudes probeerden te onderscheiden, op waarde te schatten. Zijn verweer gold vooral de psychoanalyse die de anatomie van de vrouw tot haar noodlot had gemaakt: zonder penis, verdreven van de tintelende clitoris naar de sombere vagina, en achtereenvolgens beroofd van haar moeder en vader als liefdesobject. Geen wonder dat de vrouw aan masochisme ten prooi viel, luidde het vonnis van Freud in Die Weiblichkeit (1933). Op dit punt ontvouwde Buytendijk, met de Beauvoir, de trotse banier van het existentialisme: `de mens is geen natuurlijke soort, maar een historisch idee'. Wie echter bescherming zocht voor Freuds banvloek kwam bedrogen uit. De katholieke denker in Buytendijk meende namelijk dat de onderworpenheid waarin zoveel vrouwen zich schikten, gekozen was. Goede vrouwen aanvaardden hun corvee vrijwillig.

In het deel over `de vrouwelijke verschijning' treden kracht en zwakte van de fenomenologische beschouwing het duidelijkst aan het daglicht. Wat Buytendijk te zeggen heeft over het gezicht, de stem, het jeugdige en symmetrische van de vrouwengestalte, maakt nog steeds een scherpzinnige indruk. Treffend is bijvoorbeeld de tekening van het borend mannenoog de blik van de vrouw die bij de dingen verwijlt, en het verloren kijken van een kind.

Ergerlijk wordt het als de fenomenoloog over `de geheimzinnige innerlijkheid' van de vrouw begint te orakelen. De vrouw als plant, als schaal, als lelie des velds: deze `poesie en prose' herinnert pijnlijk aan de beschuldiging van De Beauvoir dat mannen zich graag bezatten aan sprookjes over vrouwen. Het gevolg laat zich raden: `Er is een vrouwenvraagstuk, niet omdat de vrouwen onderdrukt worden, maar omdat er een geheim der vrouwelijkheid is'.

In het laatste deel over `de bestaanswijze van de vrouw' valt dan ook niets te lezen over beroepsleven of sociale wetgeving, maar concentreert de schrijver zich op de vrouwelijke deugd van `zorgend in de wereld zijn'. De opmaat is nog een aardig hoofdstuk over de verschillende wijzen van bewegen van mannen en vrouwen, maar al gauw moet men begrijpen dat de man met vaste tred op weg is naar zijn werk, en de vrouw zachtjes door het huis gaat, ordenend helend en bemoedigend. Een schrale troost voor het ambitieuze meisje, dat te horen krijgt dat `het menselijke het terrein van de vrouw, het onmenselijke het gebied van de man is'. In de huishouding voltooit en openbaart zich het vrouwengeheim als de moederlijkheid. Die moederlijkheid is vrij van seksuele drift en vindt zijn stralend voorbeeld in `de Vrouw die ons aller arme menselijkheid bij God vertegenwoordigt'. Met zo'n zogenaamde tegenstander mocht Freud in zijn handen knijpen: hier werd de maagd Maria als getuige ontboden om de vrouwen te doordringen van de noodzaak hun fallische wensen op te geven voor `passive Triebregungen'.

Ook ten tijde van de verschijning van De vrouw circuleerden al vrijzinniger gedachten over de geslachtsrollen dan Buytendijks duur verpakte stoffer en blik, zelfs onder katholieken.

Het volkomen huwelijk, bijvoorbeeld, van de arts Th. van de Velde uit 1926 had in 1950 al tientallen drukken beleefd. Natuurlijk zou ook Buytendijk de heldinnen niet willen missen die hun non-conformisme duur moesten betalen, zoals de gifmengster Therese Desqueroux uit de gelijknamige roman (1927) van Francois Mauriac, of de dodelijk verleidelijke Moira uit de, eveneens gelijknamige, roman (1950) van Julien Green. Ten onzent prevelde de katholieke dichter Michael Deak voor een blozend publiek: `ik heb u lief madonna van de zonde' (De vrouwenval, 1947). Buytendijk was het er ook niet om te doen een bres te slaan, maar om een gat te dichten in de katholieke dubbele moraal. Het gat was door de oorlog, de bevrijding, maar ook door het baanbrekend werk van Sartre en De Beauvoir opengebroken, en erdoor wandelden nieuwe vrouwengestalten de wereld in. In 1951 had Vestdijk al een flink aantal ongezeglijke vrouwen het licht doen zien. Cor uit De dokter en het lichte meisje, dat in dat jaar verscheen, spant wel de kroon: een aanfluiting voor alle huishoudsters.

De vrouw heeft het nog een heel eind geschopt: herdrukken, pocketuitgave eerbiedige aanhalingen en al. Het was een van de vele keren dat het publiek zich liet foppen door een professorenmantel die bezwerende gebaren over de vrouw uitvoerde. De tweede feministische golf zou een saluut brengen aan Simone de Beauvoirs voorbereiding van het terrein. Buytendijks vergulde pil voor de vrouw zou in de vergetelheid raken. `Madonna' is een geuzennaam geworden.

    • Samuel de Lange