Een ijle rijstplanter; Karel Frederik Holle (1829-1896)

Minzaam en superieur blikt hij naar een betere toekomst. Een man met een missie. `Said Mohamad ben Holle' heette hij onder de Soendanezen, Karel Frederik Holle voor zijn Nederlandse vrienden. Na zijn dood in 1896 verschenen necrologieen in het Soendanees die Holle's onzelfzuchtigheid bezongen en hem beschreven als een wijze kluizenaar met goddelijke ingeving.

Hij had zich, aldus de dankbare lofdichter, in de Preanger gevestigd `niet om er rijkdom te vergaren / maar om voorspoed te brengen voor het volk / van de Soendalanden'. Een weldoener en wereldverbeteraar, maar ook planter en overtuigd dienaar van het koloniale bestuur. Holle was een paradoxale figuur, die vele tegenstrijdigheden van het kolonialisme moeiteloos in zich verenigde. Een romanticus zal hem bestempelen als een bruggenbouwer tussen Oost en West. De recente biografie van Soendaicus en historicus Tom van den Berge geeft een genuanceerder beeld van deze opmerkelijke figuur.

Het begin oogt wat gewoontjes. Holle was in 1844, op zijn veertiende, naar Indie gekomen, in het kielzog van zijn fortuinzoekende vader. Na enkele jaren begon Karel als klerk op een residentiekantoor en klom spoedig op tot eerste commies. Meer dan tien jaar hield hij het uit in pennendienst van het gouvernement, maar toen gaf hij er de brui aan. Met enige moeite verkreeg hij een stuk grond in de Preanger in pacht - eigenlijk niet meer dan een paar woeste hellingen in de bergen van West-Java. Deze afgelegen plantage werd zijn proeftuin waar hij zijn ideeen over de landbouw en `eene goede behandeling v.d. inlander' kon uitproberen.

Bemoeial

De ondertitel van de biografie - theeplanter in Indie - is misleidend. De thee had Holle's hart niet; hij heeft er nauwelijks iets over gepubliceerd. Thee was slechts een excuus. Holle was niet zomaar een planter, hij was een onstuitbare bemoeial, iemand met gezag, hetgeen hem de functie van `adviseur honorair' van het gouvernement opleverde. Niets wat de Soendalanden betrof, kon in Batavia worden beslist zonder zijn raad. Honderden nota's, adviezen en artikelen schreef Holle, over rijstbouw ongediertebestrijding, bemesting en visteelt.

Hij introduceerde de `methode Holle': het `ijle' uitzaaien in plaats van het dicht op elkaar in de grond steken van de rijstzaden. Het heeft weinig geholpen: tevergeefs bleef hij tot aan zijn dood hameren op het nut van zijn werkwijze. Om deze en andere handigheden aan het verstand van de boeren en bestuurders te peuteren, gaf Holle vanaf 1871 een tijdschrift uit, De vriend van den landman. Hij liet het ook vertalen in het Soendanees Javaans en Madoerees. Maar er zullen vermoedelijk weinig Soendanezen zijn geweest die de Vriend op het nachtkastje hadden liggen en het is ook maar de vraag hoeveel planters en bestuursambtenaren zich iets aan de goedbedoelde adviezen van Holle gelegen lieten liggen.

Blinde vlekken

Hoffelijk, geestig en scherp, maar bovenal een pragmaticus. Hoorde de Soendanees het liefst verhalen op rijm? Hij kon ze krijgen. Wilde hij op haji gaan? Het gouvernement moest hem vooral niets in weg leggen. Wat Karel Holle sympathiek maakt, is zijn geduld en zijn respect voor de wensen en gewoonten van de Soendanezen. Waren Nederlandse boeren niet even behoudzuchtig? Maar Holle was zeker geen goedprater en cultuurrelativist was hij al helemaal niet. Er deugde niet veel van de landbouwmethodes van de Soendanese boer. Holle had een schokvrij geloof in de macht van de rede. `De inlander is noch een aap, noch idioot en bij goede leiding leerzaam en leidzaam genoeg'. Door overtuiging, niet door dwang moest de Soendanese boer zich tot een betere levenswijze bekeren. `De druppel holt de steen uit', placht hij te zeggen. Met bijna eindeloos geduld bedruppelde Holle het gouvernement, de planters en de boeren.

Toch had ook Holle zijn blinde vlekken. De grootste was zijn afkeer van religieus fanatisme.

Net als de bekende islamoloog C. Snouck Hurgronje, in wie hij een medestander vond, zag Holle in de islamitische mystieke beweging een gevaar voor het koloniale gezag - en voor het gezonde verstand van de Soendanees. Minstens even sterk was zijn aversie tegen de `inktkoelies' in Batavia en van de academische betweters die zo nu en dan uit Leiden op de Preanger neerdaalden. Met sommigen, zoals de briljante maar bekrompen taalgeleerde Daniel Koorders, vocht hij een strijd uit op leven en dood. Een zekere toeeigening van de Soenda zal aan Holle's felheid niet vreemd zijn geweest, maar buiten kijf staat zijn deskundigheid. Al vonden velen hem een drammer, zij konden niet om hem heen. Hij had geen gelijke in zijn kennis van things Sundanese.

Karel Frederik Holle is geen biografie in strikte zin. De eerste dertig of meer jaren van Holle's leven worden in enkele pennenstreken afgedaan. Van zijn vrouw, de zuster van Moesa, vernemen we niets, evenmin iets van hun dochter. Holle liet zich nooit over hen uit. Zelfs als planter leren we Holle nauwelijks kennen. De meeste tijd moet hij hebben besteed aan het beheer van zijn land, de theeplantage Waspada boven Garoet. Hij zal terrassen hebben aangelegd om de erosie tegen te gaan en zijn arbeiders zullen de rijst volgens de `methode Holle' hebben uitgezaaid. Maar het wel en wee van de plantagehouder blijven onvermeld.

Een ploeger

Spijtiger is, dat we nauwelijks iets te weten komen over Holle's gevoelsleven en persoonsontwikkeling. We zien hem in conflict met de Leidse schooljongens, met zendelingen, gouvernement en islamitische mystici. We zien hem publiceren, corresponderen, scholen oprichten strijden tegen het bijgeloof en ecologische roofbouw.

Maar wat bewoog deze man? Hoe ontwaakte zijn liefde voor de Preanger landman? Waar ontstond zijn gevoeligheid voor de Soendanese levenswijzen? En wat was de invloed van zijn vriend en zwager Moesa? Het zou zo mooi zijn geweest als we iets van hun relatie en vooral van hun onenigheden te weten waren gekomen. Maar niets van dat al. Holle had een groot hart, maar zijn gevoelens gaf hij niet prijs.

Tom van den Berge maakt het gemis aan biografische franje meer dan goed door zijn scherpe en geestige relaas. Het was een bewuste keuze zich tot Holle's openbare optreden te beperken. Van den Berge toont zich in die beperking een absolute meester. Een zo levendig boek te schrijven grotendeels op basis van officiele correspondentie en publicaties is knap. Bovendien: Holle leent zich niet tot dieptepsychologie, los van het feit dat de gegevens ertoe ontbreken. Holle was een denker, maar geen filosoof. Hij ontleent zijn belang aan zijn zekerheden, niet aan zijn twijfels. Zijn leven speelde zich af op de hellingen en toppen van de Preanger: op het schouwtoneel van de Soenda zichtbaar voor allen. Deze harde werker gunde zich geen prive-leven. Holle schreef, oreerde en ploegde, hij ploegde diep, maar zaaide ijl.