Een cirkel in het kwadraat; Opstellen over Duitsland

Duitsland is te groot voor al zijn vijanden apart en te klein voor al zijn vijanden samen. Als geopolitieke en militaire waarneming heeft dit adagium van de nu hoogbejaarde journalist/essayist Sebastian Haffner de hele twintigste eeuw tot schade en schande standgehouden. Maar als verklaring is het toch onbevredigend gebleven. Ook menig Historikerstreit heeft geen afdoende antwoord opgeleverd.

Reinhart Koselleck, emeritus hoogleraar politicologie te Bielefeld, zoekt in de bundel Leven met Duitsland naar bredere verklaringsmodellen. Het boek is opgedragen aan Maarten C. Brands - inspirerende hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam althans voor studenten die zich niet lieten afschrikken - die vandaag met emeritaat is gegaan. Maar het is geen klef liber amicorum geworden. De naam van Brands, die ondanks zijn pensioen overigens doorgaat als artistiek directeur van het Duitsland-insttuut, noemde, komt in de meeste opstellen niet voor. De essays behandelen vooral de geschiedtheoretische thema's waarmee Brands zich de afgelopen decennia heeft beziggehouden.

Zoals het probleem van de Duitse `natie-vorming', een proces dat zich volgens sommige theoretici `te laat' heeft voltrokken en daarom op een ramp is uitgedraaid. Koselleck onderneemt in zijn opstel `De late komst van de Duitse natie' een succesvolle poging deze mythe te kantelen.

Ten eerste irriteert de vraagstelling hem. `Nergens staat geschreven dat de natie een doel is van de geschiedenis, dat het een plicht is dit doel op een bepaalde tijd te bereiken en dat te laat komen wordt bestraft', aldus Koselleck. Ten tweede gaat deze theorie volgens hem voorbij aan het van oudsher federatieve karakter van het gebied dat we nu Duitsland noemen. `De Duitse natie, die in 1871 voor het eerst schuchter en overmoedig aan het daglicht treedt, is tot dan altijd belemmerd geweest in de poging een natie te worden doordat de lange-termijn structuren in de Duitse geschiedenis nooit nationaal, maar altijd federaal georienteerd waren'.

De Vrede van Westfalen (1648) waarmee de Dertigjarige Oorlog werd afgesloten, is daarvan het kristallisatiepunt.

De consequenties van deze vrede, die de vorsten bevestigde in hun politieke en godsdienstige pretenties in eigen huis en hen in staat stelde onderling steeds wisselende coalities te sluiten, zijn immens. Het rijk bleef te groot om een natiestaat te worden, zoals wij die nu kennen. Het was, door de toenmalige communicatietechnieken, alleen al fysiek onmogelijk om greep op de ruimte te krijgen. Een federale structuur (zoals in Nederland of Zwitserland), dan wel een centralisatie langs de weg van burgeroorlog (Groot-Brittannie) of revolutie (Frankrijk) bleven zodoende achterwege. `De Duitse geschiedenis is dankzij haar federatieve randvoorwaarden altijd al voor-nationaal of en tegelijkertijd, na-nationaal', aldus Koselleck.

De wijze waarop de Reformatie er haar beslag kreeg, versterkte dit nog. De kerk van de volksgemeenschap werd speelbal van de wereldlijke machten. Een `fatale dialectiek', aldus Koselleck. Die ging `zo ver dat de Duitse burgers zelfs niet hebben geleerd zich maatschappelijk te gedragen, al is hun muziek nog zo grandioos en zijn hun filosofische systemen nog zo geslaagd. (...) Alle latere pogingen ten spijt om de achterstand in te halen, vooral tijdens de pijlsnelle industrialisering, is het nooit gelukt de politieke cultuur te ontwikkelen die zich beroept op de natiestaat en niet op een - verregaand apolitieke - volksgemeenschap'.

Buiten adem geraakt door Koselleck wordt de lezer meteen getracteerd op een essay van Peter Gay, de historicus uit Harvard die geen introductie behoeft. In een beukend opstel `Nietzsche en het postmodernisme' hakt hij in op postmoderne historici die zich in zijn ogen, met Friedrich Nietzsche in de hand, overgeven aan kwaadaardig deconstructivistisch geouwehoer.

Zijn doel is groots. `Als we zouden aantonen dat het denken van Nietzsche veel minder nihilistisch of relativistisch was dan de postmodernisten beweren te geloven, zouden we hen van hun gekoesterde intellectuele houvast beroven'.

Zijn techniek is verbaal. Gay erkent allereerst dat Nietzsche talloze passages heeft nagelaten die daartoe uitnodigen. Zoals het aforisme dat de waarheid slechts een metafoor is die alleen `in perspectief' gezien en begrepen kan worden. Maar de wijze waarop de postmodernisten daarmee op de loop gaan, raakt kant noch wal. Want zelfs Nietzsche, hoe polymorf ook, was volgens Gay op zoek naar filosofen die zijn `sloperswerk' van het tot dan bestaande wijsgerige bouwwerk zouden afmaken om tenslotte door te dringen `tot waarheden die, in tegenstelling tot alle gangbare leugens die als waarheden waren verkleed, dienstbaar zouden zijn aan het leven'. Door dat verlangen doelbewust te negeren, zetten de postmoderne historici nu niets minder op het spel dan `de integriteit van het verleden'. `Faction - het gedwongen huwelijk tussen fiction en fact - is niet meer louter een fantasierijk mentaal experiment: het is een graag gebruikt ingredient geworden in de praktijk van historici'.

Waarna Gay respectievelijk Keith Jenkins (Postmodern History Reader), Baudrillard, Derrida en vooral Foucault fileert. `In klare taal betekent dit dat traditioneel onderzoek naar oorzaak en gevolg en naar het bestaan van gebeurtenissen uit het verleden geproblematiseerd wordt (zoals de postmodernisten plegen te zeggen) en buiten het bereik valt van de orthodoxen, die verslaafd zijn aan het realisme', aldus Gay over het filosofisch-historisch onderzoek van Foucault naar straf, waanzin en seks.

Foucault's theorie dat de ene tirannie de andere gewoon vervangt `is de eenvoud zelve'. `Het is gewoon niet waar dat belangeloosheid, edelmoedigheid, fatsoen altruisme, schuldgevoelens, altijd een maskering zijn van machtsmanoeuvres in een Hobbesiaanse wereld' waarin iedereen permanent in oorlog is met iedereen. Postmodernisten weigeren ` - uit onvermogen, zo men wil - om concreet bewijsmateriaal aan te bieden, een weigering die is gekoppeld aan de hoop dat de lezer wordt meegesleept door een adembenemende retoriek'.

De meeste andere opstellen in Leven met Duitsland zijn minder amechtig dan die van Koselleck en Gay maar hebben desalniettemin een hoge didactische waarde, zeker als `reader'. Je steekt wat op van bijvoorbeeld Patrick Dassen over de socioloog Max Weber of Wim Roobol over de gemankeerde politicus Thomas Mann. Hetzelfde geldt voor de beschouwing over de vroege Marx-interpreet Thomas Masaryk, later de eerste president van de jonge staat Tsjechoslowakije. Zij het dat door de hardhouten stijl van auteur Bedrich Loewenstein (ex-prof aan de Freie Universitat van Berlijn) meer dan gemiddeld doorzettingsvermogen onontbeerlijk is.

De bijdrage van Loewenstein is eigenlijk enige die de spreekwoordelijke middenpositie van Duitsland vanuit een centraal-Europees perspectief bekijkt. De meeste auteurs hebben zich hun bril namelijk ten westen van Lobith door de opticien laten aanmeten. De `kwadratuur van de cirkel' lijkt zo een Duits probleem dat zich vooral westwaarts wreekt. De Drang nach Osten is niet hun eerste zorg. Een enkele keer duikt de naam van Tolstoj op, iets vaker die van Gorbatsjov. Maar wat meer aandacht voor Oost-Europa en Rusland had geen kwaad gekund.

Want is het niet Duitsland dat op cruciale momenten ten oosten van de Oder en verder richting Wolga in het zand heeft gebeten en nu, zij het in een andere context, wederom het voortouw heeft in de trapezekunst van altruisme en introvertie? In een bundel over de spanning tussen magie en ratio had een bouwtekening van de meest wankele brug, die er tot nu toe tussen rede en redeloosheid is gebouwd, niet misstaan: een maquette van Rusland. Als weinig anderen hebben de Duitsers bij die brug staan janken van ambitie. Als weinig anderen hebben ze daarvoor leergeld betaald, vaak in mensenlevens en de laatste zeven jaar in harde valuta. Bonskanselier Gerhard Schroder heeft dat deze week bij zijn bezoek aan president Jeltsin, die hij te verstaan gaf dat de knip nu dicht blijft, weer eens geetaleerd. Of, zoals een anekdote wil over de briefing van de Wehrmacht-officieren die de veldtocht in Rusland moesten leiden: `Praat nooit met een Russische intellectueel. Je zult met hem eten, roken drinken en discussieren. Je zult het uiteindelijk ook met hem eens worden. Maar daarna zul jij doen wat hij wil'.