De brave hendrik en de tripmadam

Maarten 't Hart is door Rudy Kousbroek wel eens beknord om de `naar het lachwekkende neigende opsommingen van dieren- en (vooral) plantennamen' in zijn romans. Daar was 't Hart het natuurlijk niet mee eens. Hij noemt de dingen graag bij hun naam en bovendien: `zo'n opsomming lijkt door al die prachtige namen soms bijna een gedicht', zo zei hij in een lezing in 1986. Om zijn gelijk te bewijzen liet hij er meteen een kort en zelfs rijmend instantvers op volgen:

Wisselbladig goudveil

ijle dravik, galigaan

zwarte zegge, jacobsladder

en teer guichelheil.

Peter Yvon de Vries dit voorjaar, in zijn bespreking van het boek Ruines in Nederland: `De in het boek opgenomen lijstjes van op ruines aangetroffen planten lijken sterk op een weemoedig gedicht: Bitterzoet, Muurleeuwebekje, Smeerwortel Bijvoet, Klein glaskruid, Nachtsilene, Dwergmispel, Gewoon barbarakruid Zwartsteel, Stijve naaldvaren.'

Waarom zou zo'n lijstje `soms bijna' of `sterk' lijken op een gedicht? Aan die gedachte moeten een of meer opvattingen over poezie ten grondslag liggen. De eerste lijkt mij deze: poezie is het gebruik van (veel) mooie woorden. Dat wisselbladig goudveil ijle dravik en zwarte zegge mooie woorden zijn staat volgens mij wel vast maar bewijs het maar eens. Veel hangt hier af van hobby, vooropleiding en beroep van de lezer. Een botanicus die de hele dag met zijn neus in de smeerwortels en dwergmispels zit, zal bij het lezen van de `gedichten' van 't Hart en De Vries zijn schouders ophalen. Maar voor wie ze niet kent, hebben al die plantennamen iets aanstekelijks: de ideale mengverhouding van vreemd en vertrouwd. Alle klanken en lettergrepen zijn onmiskenbaar Nederlands, maar bij elkaar leveren ze geen bekende begrippen op. Dat stemt hulpeloos, maar geeft meteen ook een vrolijk gevoel van vrijheid. De betekenis kan nog alle kanten op: gaat het hier om enge ziekten, streekgerechten, in onbruik geraakte scheldwoorden of is het gewoon koeterwaals? Die vreemde mengeling van onzekerheid en vrijheid zou wel eens de prettige herbeleving kunnen zijn van de woordenproefsensatie die elk kind bij het leren van zijn taal ondergaat.

Een andere opvatting die bij 't Hart en De Vries lijkt mee te spelen: poezie is opsommen. De dichter noemt, maar duidt niet. Concentratie en isolatie. Het gedicht als een trefwoordenregister met hooguit een komma hier en daar. Zinsverband, hoofd- en bijzinnen voegwoorden dat hoort in deze opvatting allemaal bij die erfvijand van de poezie: het beweeglijke, beschouwende, betogende proza met zijn gevaarlijke volzin.

Derde opvatting, hiermee samenhangend: de dichter is een orakel. Hij is in trance, denkt niet logisch na, schouwt in voor ons vreemde werkelijkheden en stoot losse woorden uit: nachtsilene, galigaan, guichelheil. Mooie, en nauwelijks te `begrijpen' tovertaal, maar met her en der nog net voldoende aanwijzingen om de indruk van een zinvolle mededeling te wekken (niet zomaar een naaldvaren, maar de stijve naaldvaren; geen uitheems barbarakruid, maar gewoon barbarakruid).

Het zijn opvattingen die in de richting gaan van de zogenaamde zuivere poezie, de vrijwel betekenisloze schoonheid van `Oote oote oote boe' en `kneu kneu ote kneu' (Jan Hanlo) en `uw schedelveld is koeler maan / en alle appels blozen' (Jan Engelman). Als alleen al de opsomming van vreemde plantennamen `soms bijna' danwel `sterk' lijkt op een gedicht, zou dan nog nooit een dichter op het idee zijn gekomen met dit recept daadwerkelijk een gedicht te maken? Jawel. Gerrit Komrij geeft enkele voorbeelden in zijn stukken over lijstjes en catalogi in poezie (In liefde bloeyende, p. 351 - 357), en steeds blijkt dat prachtige namen alleen niet voldoen. Schoonheid is mooi, maar er moet wel wat betekenis bij.

`Plantentuin' van G.J. Resink is een opsomming van vijftig plantennamen, van A (`Acacia's, alamanda's, azalea's') tot en met Z (`zinnia's').

Mooi, en exotisch allemaal, maar alleen te genieten omdat de regels in de vorm van een boom (of is het de plattegrond van een Javaanse tuin?) zijn gezet, en nog meer omdat het rijm in de loop van het gedicht vanzelf een parodie op het rijm wordt: -a's rijmt op -a's en dat vijftig keer achter elkaar.

In `Botanisch twistgesprek' van Drs. P horen wij een vrouw die zojuist de plattegrond voor haar achtertuin voltooid heeft. Sylvia de Leur zong het ooit, in de jaren zestig, in `Wij Lurelei', met regels als de volgende: `Ook wat herderstasje vrouwenschoentje, slofhak en pantoffeltje, giroffel, bruine snavelbies en rosse vossenstaart'. Dat rijmt dan weer op `Hoenderbeet en smal kanariegras, kaal kattenkruid en hazepootje, slangewortel, hondsdraf leeuwetand en geitebaard'. En zo gaat dat nog vele regels lang door. Een gedicht als een tuincatalogus, 115 plantennamen in totaal. Prachtig, maar toch vooral omdat de spreekster aanvankelijk voorzichtig, maar allengs dwingender in de rede wordt gevallen door haar gespreksgenoot met zijn krachtige tegenwerping `Nee, ik wil een tuinkabouter met een mandje op zijn rug' (glansrol van Leen Jongewaard, met een mandje op zijn rug).

Sonnettendichter Jan Kal vulde een heel sonnet met de opsomming van louter plantennamen. Vierendertig stuks, keurig ondergebracht in veertien regels. `Droogbloeier, muurbloem, prikneus, franjezwam' rijmt op `bruidssluier, levensboom en hanekam', op `de brave hendrik en de tripmadam' en op `de springkomkommer en de borstelvlam'.

Wat bedoelt de dichter? Hij bedoelde een mooi gedicht te maken, met mooie vreemde woorden, in het zelfopgelegde keurslijf van een sonnet. Louter vorm, zuivere schoonheid. Maar voor wie dat niet genoeg is voorzag hij zijn vers van de titel `Voortplanting', zodat de lezer bij het wandelen door deze hortus ook nog aan iets anders denken kan: aan zekere lichaamsdelen en zekere handelingen, de menselijke voortplanting betreffende.

Een opsomming van mooie en vreemde plantennamen dat is het paradijsideaal. Taaltuin, zuiverheid, geen betekenis: de Hof van Eden. Maar pas na de zondeval (parodie, tegenstem, seksuele toespeling) wordt het een gedicht.