D66 moet zich onafhankelijk van het kabinet opstellen; Langzamerhand komt de integriteit van de samenleving in het geding

Sinds haar nederlaag bij de Tweede-Kamerverkiezingen is D66 op zoek naar een nieuw partijpolitiek profiel. Christiaan de Vries vindt dat de partij dit weekeinde tijdens haar congres moet kiezen voor principiele uitgangspunten, waarin rechtsstaat en democratie centraal staan.

Op de grens van twee eeuwen staat D66 voor een inhoudelijke politieke keuze: slaagt ze erin om zich te herdefinieren als links-liberale partij voor rechtsstaat en democratie, of drijft ze mee op de politieke hoofdstroom in de poging alsnog een catch all party te worden? In de geschiedenis van de partij is dit geen nieuwe vraag. Weliswaar voert de herinnering aan het gevecht om het pure lijfsbehoud de boventoon, toch heeft ze in haar korte geschiedenis drie keer eerder een vergelijkbare inhoudelijke keuze moeten maken.

Bij de oprichting kreeg de partij de profilering van een beweging voor democratisering van het politieke stelsel en voor een andere politieke cultuur. Hans van Mierlo werd het gezicht ervan. De signatuur van de partij ademde de geest van de verandering, het waren de jaren zestig en de nadagen van de `regenten'. De Democraten keerden zich tegen de geslotenheid van de politiek en tegen de politieke elites, die hun positie in hoofdzaak ontleenden aan de politieke cultuur van de verzuilde samenleving.

De eerste grote na-oorlogse economische crisis van de jaren zeventig was tevens het begin van de eerste echte herorientatie op de bestaansvoorwaarden van de jonge partij. In een tijd waarin brood op de plank belangrijker leek dan de waarde van de democratie kregen de Democraten het moeilijk, heel moeilijk. Verbaast het dan dat Jan Terlouw - de nieuwe leider die de partij uit het electorale moeras moest trekken - dit onder meer deed via een herdefiniering van de vaste waarden van de partij?

Aan de aandacht voor de democratie werd nu uitdrukkelijk de zorg voor technologische vernieuwing toegevoegd, terwijl de aandacht voor het milieu werd versterkt. Je zou kunnen zeggen dat de partij in deze periode een liberaler gezicht kreeg.

Lag in de eerste fase het sociale karakter van de partij vooral besloten in het uitgesproken democratisch wereldbeeld, in de nieuwe fase werd de waarde van vrijheid benadrukt door het accent op de betekenis van informatie en de waarde van communicatietechnologie.

Aan het begin van de derde fase werden de drie waarden, democratie, innovatie en duurzaamheid - wederom onder Van Mierlo - als reden van bestaan gecombineerd. Vanaf het eind van de jaren tachtig zat D66 in de electorale lift. De Democraten beschikten over een aansprekend politiek leider en - of zij zich daar nu altijd van bewust waren of niet - over een politiek interessante set van inhoudelijke begrippen. Uit deze vaten tappend, groeide D66 als kool.

Maar eenmaal in een dergelijke stroomversnelling beland, wordt het voor iedere partij gevaarlijk. Grote vraag is hoe een partij haar oorspronkelijk karakter kan behouden, en in het geval van D66, hoe zij een geestrijke en intellectueel aansprekende progressieve partij kan blijven.

Geldt deze vraag in het bijzonder voor D66? Natuurlijk niet. Het valt niet te ontkennen dat alle politieke partijen het moeilijk hebben met dezelfde dingen. Dat kan alleen al worden afgelezen aan de steeds korter wordende cycli van opkomst en verval. De VVD had zijn crisis nog niet achter de rug of de PvdA begon eraan, en op het moment dat de laatste weer opkrabbelde, viel het CDA in de put en begon D66 te wankelen. Tegen een dergelijke achtergrond zou je moeten concluderen dat het risico juist schuilt in de tussenliggende korte, stabiele, periode.

Felix Rottenberg komt de eer toe dat hij als eerste partijvoorzitter de radicale conclusie hieraan heeft verbonden dat zijn partij zowel inhoudelijk als organisatorisch diende te veranderen.

We zijn intussen alweer een paar jaar verder en het moet gezegd worden dat het des te meer bevreemdend is wanneer op het aanstaand partijcongres van D66 - alle opschudding ten spijt - over dit onderwerp eigenlijk alleen maar een stapeltje procedurele moties ter besluitvorming voorligt.

Democratie, innovatie en duurzaamheid, het was deze combinatie van elementen die het eerste paarse kabinet kleur moest geven. Hoewel het zeker niet over de gehele linie is geslaagd, is niet onopgemerkt gebleven dat zich hiermee voor D66 een tweede risico voordeed. Dat lag verscholen in de vereenzelviging van partij en kabinet, en van politieke controle en bestuurlijke macht.

Het is D66 blijven achtervolgen. Tegen deze achtergrond mag het dan ook niet bevreemden dat na de verloren Tweede-Kamerverkiezingen de behoefte ontstond aan een eigen partijpolitieke profilering en dus aan de eigen onafhankelijkheid in het parlement ten overstaan van het kabinet.

Het begin van het Paars II markeert nu tevens een nieuw tijdperk in de ontwikkeling van de politieke partij D66. Een wisseling van generaties heeft zich inmiddels voltrokken. Met de komst van Thom de Graaf dient zich een partijleider aan die twee van de meest oorspronkelijke D66-orientaties, een democratische en rechtsstatelijke, in zich verenigt. En dat mag op zichzelf geen toeval heten.

Kijken we naar Europa maar ook naar het openbaar bestuur in eigen land, dan wringt de schoen aan het begin van de 21ste eeuw juist op de kruising van deze twee integrerende dimensies van de maatschappij, van rechtsstaat en democratie. Of we ons nu richten op de problemen waarvoor de revolutie in het elektronisch informatieverkeer ons plaatst, de inrichting van Nederland de vernieuwing van het democratisch instrumentatrium of het vraagstuk van openbare orde en de justitiele problematiek - overal lijken zij op elkaar.

De een vraagt zich af of Nederland verdampt, de ander maakt zich zorgen over het toenemend autocratische karakter van het bestuur. Dit zijn observaties die direct de kwaliteit van het openbaar bestuur raken.

Technocratische en anonieme mechanismen hebben op grote schaal de overhand gekregen. Langzamerhand raakt de integriteit van de samenleving in het geding. Het moet de partij toch wat zeggen dat juist de onderwerpen waarin D66 traditioneel thuis is nu zozeer de aandacht vragen: technologische innovatie en de vrijheid van handelen die daarbij hoort, duurzaamheid en de restricties van het handelen die daar weer bij horen, democratie en de bijbehorende communicatieve ethiek en tenslotte de rechtsstaat en de daarvoor vereiste transparantie en reflexiviteit.

De laatste twee elementen van rechtsstaat en democratie, vormen ook - en misschien wel juist in een wereld waarin de (nationale) grenzen vervagen - de wezenlijke en integrerende voorwaarden voor elke legitieme ontwikkeling in een maatschappij. Daarop zou de partij dan ook inhoudelijk moeten inzetten. Een dergelijke keuze zou tegelijk het einde betekenen van de illusie van de catch all party.

Ooit van start gegaan als `beweging', past het D66 om tegenover de hierboven genoemde maatschappelijke tendensen te kiezen voor principiele uitgangspunten en die tot ijkpunten te maken voor een nieuwe inhoudelijke koers.