Wat het IDFA niet kan laten zien

De nieuwe film van Michael Moore? Mag niet worden vertoond op het festival. Een geschiedenis van lastige filmers en nog lastiger gefilmden.

ERGENS HALVERWEGE The Big One stapt regisseur Michael Moore het hoofdkantoor van Nike binnen. Anders dan in Roger and Me, waarin Moore een film lang vergeefs probeert om de topman van General Motors te spreken te krijgen, dringt hij dit keer door tot de chief executive officer van Nike, Phil Knight. Moore is een man met een missie, door hemzelf omschreven als `protecting the earth from the scum of corporate America'. Zijn geheime wapen heet humor. Tussen de grappen door weet Moore zijn opponent te verleiden tot beschamend gezever over de leeftijd waarop Aziatische kinderen geschikt geacht kunnen worden om schoenen voor Nike te maken.

The Big One is een hilarische film, waarin Moore de promotietour van zijn boek Downsize This! gebruikt om managers in tal van Amerikaanse steden aan te spreken op hun bezuinigingsdrift - maar op het IDFA zullen we hem niet te zien krijgen. Na de premiere vorig jaar op het filmfestival van Toronto was The Big One - zoals Moore vindt dat de VS zouden moeten heten - begin dit jaar te zien in Berlijn en sinds april in Amerika. Niets stond een mooie loopbaan van de film in de weg.

En nu mag de film opeens niet meer worden vertoond. Het IDFA stuitte op een weigering van de in Groot-Brittannie gevestigde Europese distributeur. De betrokkenen hullen zich in stilzwijgen en kunnen het gerucht niet bevestigen: de Amerikaanse distributeur Miramax zou zijn gezwicht voor de bezwaren van Nike tegen de passage met topman Phil Knight. Festivaldirecteur Ally Derks wil Michael Moore op de openingsavond graag iets laten vertellen over De keuken van Kok (`The Dutch War Room') en hoopt dat de regisseur zijn film dan stiekem zelf meebrengt.

Elk filmfestival heeft z'n afvallers, films die om welke reden dan ook aan het festival voorbijgaan.

Sommige kandidaten blijven steken in de zeef van de programmeur: om die reden zullen bijvoorbeeld Four Little Girls van Spike Lee en Paris van Raymond Depardon (in 1995 nog winnaar met Delits flagrants) niet te zien zijn. Ook Three Sisters van de Israelische Tsipi Reibenbach, min of meer een vervolg op het indrukwekkende Choice and Destiny waarin haar ouders over hun kampervaringen vertellen, vond Ally Derks niet sterk genoeg. Ze gaf de voorkeur aan een aantal andere documentaires over de Holocaust, per thema geldt een zekere limiet. Concurrentie met andere festivals snoept elk jaar wel iets weg: met tegenzin verloor het IDFA de documentaire The Herd van Peter Lynch, over een historische tocht met een kudde rendieren in het Canadese Noorden, aan het Filmfestival Rotterdam.

Interessant zijn vooral de films die om politieke of inhoudelijke redenen verzet oproepen. Een documentairefestival lijkt op dit punt kwetsbaarder dan een festival met overwegend speelfilms, in de praktijk is het echter eerder andersom. Dreigementen van de Chinese autoriteiten zijn een terugkerend ritueel voor het Filmfestival Rotterdam, dat elk jaar wel een buiten staatswege om geproduceerde film uit dat land vertoont. De enige keer dat het IDFA de politieke controverse zocht was het meteen goed raak: onder druk van Israel werd het 33 films tellende landenprogramma van 1991, gewijd aan `Palestina - Israel, op het laatste moment in zijn geheel geannuleerd. Israelische filmmakers die het programma zouden bezoeken, zouden in het vervolg wel eens veel last kunnen krijgen met de financiering van hun films, zo luidde het dreigement uit Tel Aviv.

De meest omstreden film uit de geschiedenis van het IDFA was niet door het festival geselecteerd.

Niet goed genoeg, oordeelde Ally Derks over Beruf Neonazi van Winfried Bonengel, en inderdaad is de film zelf vijf jaar later uit het geheugen verdwenen. Derks wil geen films vertonen uitsluitend wegens de controverse, haar eerste criterium blijft kwaliteit. Emile Fallaux, destijds festivaldirecteur in Rotterdam en initiator van de snel nadien verdwenen organisatie FilmFree, dacht daar anders over. Hij haalde de in Duitsland fel omstreden film, die volgens tegenstanders de nazi-taal van hoofdpersoon Ewald Althans ten onrechte onweersproken liet, naar Amsterdam en organiseerde namens FilmFree een memorabele vertoning met discussie tijdens het IDFA.

Politiek zorgt zelden voor onrust op het documentairefestival. Als er al stennis is, betreft het een schijn-controverse. In 1994 zorgde Kevin Hull met zijn fake-documentaire Relics - Einstein's brain voor veel beroering. De meester van de zelf opgeklopte heibel, Nick Broomfield, wordt dit jaar geeerd met een retrospectief. Smakelijke rellerigheid is het kenmerk van zijn thematiek en werkwijze: de verwarring over verschillende, al dan niet gecensureerde versies maakt zijn nieuwste film Kurt and Courtney op voorhand tot meest besproken film van het festival. Broomfield speelt een geraffineerd spel op de grens van niet-kunnen-vertonen en profiteert maximaal van zijn verblijf in die schemerzone.

Todd Phillips en Andrew Gurman hebben dat spel iets minder slim gespeeld, met als gevolg dat hun vermoedelijk vele malen betere documentaire Frat House al sinds begin dit jaar op de plank ligt bij producent HBO. In januari won Frat House, een participerende verkenning van de ontgroeningsrituelen bij Amerikaanse studentenverenigingen, de prestigieuze Grand Jury Prize op het Sundance Festival, ex aequo met de vorig jaar op het IDFA vertoonde The Farm: Angola, USA.

Wie de film zag, rept met ontzag en verbijstering over de wijze waarop de makers hebben weten door te dringen tot een gesloten gemeenschap. Net als bij The Big One is de verklaring voor het vertoningsverbod niet meer dan een gerucht: een invloedrijke vader van een van de jongens in de film zou zich verzetten tegen vertoning, daarbij geholpen door het ontbreken van zogenoemde `quit claims', overeenkomsten waarin de gefilmden hun rechten op het materiaal overdragen aan de makers.

Ally Derks had Frat House graag willen laten zien, maar bij navraag in New York doet Todd Phillips of zijn neus bloedt.

Van vertoningsproblemen is geen sprake, van een verzoek van het IDFA weet hij niets, van `quit claims' heeft hij nog nooit gehoord. Co-regisseur Andrew Gurman laat nog net los dat er wel iets klopt van het gerucht er zijn pogingen gedaan om verdere vertoning te verbieden, HBO heeft tijd nodig om de zaak juridisch op een rijtje te zetten. Te midden van al die andere films op het IDFA zal Frat House vermoedelijk niet worden gemist. Wrang is het wel: wat de beste film van het festival zou kunnen zijn, wordt ons onthouden omdat een rijkeluiszoontje tegen zichzelf in bescherming moet worden genomen.