Tutsi-leger Burundi doodt burgers

Het door Tutsi's gedomineerde Burundese leger doodt straffeloos burgers en maakt zich schuldig aan martelingen en verkrachtingen. Volgens een vandaag uitgebracht rapport van Amnesty International zijn hierdoor dit jaar honderden Burundezen omgekomen. Ook de Hutu-rebellen in Burundi maken zich schuldig aan grove schendingen van de mensenrechten.

Het Amnesty-rapport noemt een bloedbad, begin deze maand, in een dorpje bij de hoofdstad Bujumbura. Hutu-rebellen voerden er acties uit, waarop enkele dagen later Tutsi-regeringssoldaten wraak namen en meer dan honderd Hutu-burgers vermoordden, onder wie vrouwen en kinderen. De autoriteiten stelden een onderzoek in en meldden dat er ruim 50 doden waren gevallen. Er volgden evenwel geen disciplinaire maatregelen tegen de daders.

De Burundese president Pierre Buyoya, een gematigde Tutsi, kwam in 1996 door een staatsgreep aan de macht. Hij wierp zich op als een hervormer. Voor zijn machtsovername maakte het regeringsleger zich op grote schaal schuldig aan etnische zuiveringen. Het leger, samen met radicale Tutsi-milities, viel Hutu-woonwijken in de hoofdstad aan en verdreef de bevolking. Dergelijke excessen komen niet meer voor onder Buyoya, maar de president slaagde er niet in de cyclus van geweld te doorbreken. Er vinden volgens Amnesty nog steeds geen berechtingen plaats van moorddadige regeringssoldaten en ingrijpende hervormingen in het leger bleven uit.

Zowel de Tutsi-regeringssoldaten als de Hutu-rebellen worden bij hun gewelddaden gedreven door etnische haat. Het achterliggende probleem blijkt de eeuwenoude dominantie van de Tutsi-minderheid over de Hutu's. Daaraan heeft de hervormer Buyoya weinig veranderd, hoewel hij enkele Hutu's in zijn regering opnam. Bij de al maanden slepende Burundese vredesbesprekingen in buurland Tanzania weigert de regering-Buyoya akkoord te gaan met ingrijpende hervormingen die deze historische ongelijkheid ongedaan moeten maken. Hij blijkt niet uit te kunnen stijgen boven de belangen van zijn eigen Tutsi-groep en zich op te werpen als een nationale leider.

Amnesty noemt de strijd in Burundi een vergeten oorlog. Tot 1996 kreeg de oorlog veel internationale aandacht en de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros-Ghali, deed herhaaldelijk oproepen voor een internationale vredesmacht voor Burundi. Toen begon de opstand in Congo en daardoor viel een slagschaduw over Burundi; door het veel grootschaliger conflict in het buurland kreeg Burundi geen aandacht meer.

De Burundese gevechtsgroepen zijn inmiddels nauw betrokken geraakt bij de strijd in het buurland. Burundese Hutu-rebellen vechten samen met het regeringsleger van president Kabila. Burundese regeringssoldaten zijn gelegerd aan de grens, op Congolees grondgebied, en controleren bijvoorbeeld het stadje Kalemie om infiltraties van Hutu-rebellen te voorkomen.

In Afrika en het Westen groeit de vrees voor een nieuwe genocide, niet alleen in Burundi maar in het hele gebied van de Grote Meren. Vooral de Verenigde Staten hebben hiervoor herhaaldelijk gewaarschuwd. De haat neemt toe tegen de Tutsi's, zowel in Rwanda en Burundi, waar zij de regeringen controleren, als in Congo, waar ze de drijvende kracht vormen achter de opstand tegen Kabila. Tegelijkertijd vindt er een radicalisering plaats onder de Hutu-verzetsbewegingen in de regio die nauw samenwerken en steeds moorddadiger optreden. Steeds luider klinkt de roep om deze vicieuze cirkel van geweld te doorbreken door middel van een regionale vredesconferentie over een allesomvattende regeling van het Hutu-Tutsiconflict.