Strenge norm

DE DEMOCRATIE was gisteren volop in bedrijf, getuige een levendig debat in de Tweede Kamer over het regeringsvoornemen waarnemers te sturen naar Kosovo. Toch was het een droeve dag voor de democratie in Nederland. Een politieke partij, de racistische groepering CP86, werd formeel door de rechter verboden. Het is pas de derde keer dat dit gebeurt na de Sociaal-Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis in 1894 en de NSB plus de verwante NESB na de oorlog.

Het is de vraag of dit verbod nu werkelijk nodig is. Een partijverbod trekt, in de woorden van de regering, “een zware wissel op ons politieke stelsel' waarin partijen een belangrijke schakel vormen tussen burger en staat. Dat CP86 een verwerpelijke groepering is, hoeft geen betoog en is ook uitvoerig justitieel gedocumenteerd. Met name haar racistische propaganda heeft verschillende keren geleid tot strafvervolging. Het partijbestuur is zelfs veroordeeld wegens leidinggeven aan een criminele organisatie.

Er blijft alle reden deze groepering op de huid te zitten, ook nu zij electoraal zo ongeveer is weggevaagd. CP86 zelf lijkt trouwens op sterven na dood. Dat is vooral het gevolg van ruzies in het rechtse wereldje, maar de justitie heeft de druk aardig op deze snelkookpan helpen houden. Een partijverbod is een stap te ver. Daar mag alleen toe worden overgegaan in het geval van “een stelselmatige, zeer ernstige verstoring van het democratisch proces', zoals de regering het heeft uitgedrukt.

HET OPENBAAR MINISTERIE vroeg de rechter in feite een verbod voor alle zekerheid (een economische crisis of nieuwe stroom asielzoekers kunnen CP86 onverhoopt de wind in de zeilen geven). Zo'n verzoek is op zichzelf niet onsympathiek, maar voldoet niet aan de strenge norm die een democratie zichzelf hoort te stellen.