Regeneratie en degeneratie

Tachtig jaar geleden, op 11 november 1918, eindigde de Eerste Wereldoorlog. Die oorlog en de ermee gepaard gaande verschrikkingen houden de historici nog altijd bezig en zij inspireren ook nog altijd de literaire verbeelding. Dat is al tijdens de oorlog begonnen, toen de historici zich verdiepten in de oorzaken van de oorlog en schrijvers en dichters als Wilfred Owen en Siegried Sassoon de gruwelijke gevolgen ervan voor de geest riepen.

Na de oorlog verschenen beroemde romans als Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque en Le Feu van Henri Barbusse. Deze generatie van schrijvers is inmiddels verdwenen. Zelfs Ernst Junger is enige tijd geleden overleden, ik meen in de leeftijd van 102 jaar.

Maar ook nu nog blijft de Grote Oorlog een bron van inspiratie. De romantrilogie van Pat Barker, waarvan het laatste deel in 1995 de Booker Prize won, is een van de meest opmerkelijke voorbeelden hiervan. In deze zogenaamde Regeneration Trilogy beschrijft Pat Barker de lotgevallen van een kleine groep mensen van wie W.H.R. Rivers en Billy Prior de hoofdpersonen zijn. Een oorlogsroman in de strikte zin van het woord is de Regeneration Trilogy eigenlijk niet. Het boek speelt zich namelijk af in Engeland zelf, dus om zo te zeggen op het thuisfront. De belangrijkste hoofdpersoon, Billy Prior, is door Pat Barker verzonnen de andere, Dr. Rivers, daarentegen heeft echt bestaan. Prior is een hoogst gecompliceerde figuur: officier maar afkomstig uit de arbeidersklasse - in het Engeland van 1914-18 een vrijwel ondenkbare combinatie - en seksueel zowel geinteresseerd in vrouwelijke verpleegsters als in mannelijke officieren. De drie boeken vertellen de geschiedenis van zijn geestesziekte, als gevolg van shell shock, en zijn escapades in en buiten de kliniek. Het verhaal eindigt met zijn terugkeer naar het front, waar hij vlak voor de wapenstilstand zal sneuvelen.

Billy Prior is, zoals gezegd, een romanfiguur. Dat geldt niet voor zijn tegenspeler, de sociaal antropoloog en neuroloog W.H.R. Rivers, die tijdens de oorlog als neuroloog-psychiater werkzaam was in een militair hospitaal bij Edinburgh en daar onder anderen Owen en Sassoon behandelde. Barkers boek is voor een belangrijk deel op Rivers' archief en publicaties gebaseerd.

Deze vermenging van feiten en fictie is in hoge mate karakteristiek voor Barkers werkwijze. Aan het eind van elk deel vertelt zij in een korte Author's Note wat de historische achtergrond en de bronnen van het verhaal zijn.

De lezer komt dan ook geregeld personen tegen die hem uit de geschiedenis bekend zijn, niet alleen Owen en Sassoon, maar ook Churchill en Asquith. Dat zijn allemaal bekende namen. In Deel 2 verschijnt echter ook de tamelijk onbekende figuur van Noel Pemberton Billing ten tonele. Deze Britse politicus is thans vrijwel vergeten, maar toen ik zijn naam las, herinnerde ik mij waar ik hem eerder was tegengekomen, namelijk in een bundel van Geyl, Engelse figuren (Deel Een). De meeste van de in deze bundels herdrukte stukken van Geyl zijn korte beschouwingen naar aanleiding van recent verschenen boeken. In dit geval gaat het echter om iets heel anders, namelijk om een reeks brieven die Geyl als Londens correspondent van de NRC in de eerste week van juni 1918 voor deze krant schreef. Hij beschreef hierin op levendige wijze een van de meest opzienbarende processen uit die tijd, de zaak tegen Pemberton Billing.

Noel Pemberton Billing was lid van het Lagerhuis. Hij was tevens uitgever van een blad dat onder de titel The Imperialist, later The Vigilante, verscheen. In januari 1918 publiceerde hij hierin een artikel dat de titel `The First 47.000' droeg. Die 47.000 mensen waren volgens de schrijver Engelse mannen en vrouwen die voor de oorlog door Duitse geheime agenten waren verleid tot het bedrijven van de tegennatuurlijke liefde en daarmee tijdens de oorlog door de Duitsers konden worden gechanteerd. Korte tijd later verscheen een vervolg op dit stuk. In dat tweede artikel werd gesteld dat veel van deze 47.000 personen zich hadden opgegeven voor een prive-voorstelling van Oscar Wilde's toneelstuk Salome. Maud Allan, de danseres die in dit stuk de dans van Salome zou opvoeren klaagde Pemberton Billing vervolgens aan wegens smaad, omdat het artikel duidelijk suggereerde dat zij lesbisch was.

Het proces tegen Pemberton Billing volgde in juni.

De rechtbank leek tijdens dit proces op een gekkenhuis, waarin de ene dwaze beschuldiging gevolgd werd door de volgende nog krankzinniger verdachtmaking. De volmaakte absurditeit van de beschuldigingen kwam het best tot uiting tijdens het getuigenis van kapitein Harold Spencer, die overigens de werkelijke auteur van de onder Pemberton Billings naam gepubliceerde stukken bleek te zijn. Spencer betoogde onder veel meer dat de danseres Maud Allan de maitresse was van de vrouw van de vroegere Britse premier Asquith, dat de rechter zelf een van de 47.000 was, dat veel Britse officieren in werkelijkheid Duitsers waren en dat zijn voorgangers die deze feiten hadden onthuld waren ontvoerd en overgebracht naar onbewoonde eilanden, waar zij door onderzeeboten van voedsel werden voorzien. Na zes dagen chaos in de rechtszaal en hysterie in de kranten, zoals Pat Barker het samenvat, won Pemberton Billing zijn proces. Harold Spencer werd kort daarna krankzinnig verklaard, maar Pemberton Billing zou nog een tamelijk succesvolle parlementaire loopbaan hebben.

Geyl geeft in zijn brieven een levendig verslag van deze sensationele zaak. Hij laat het bovendien niet bij een beschrijving alleen, maar legt ook enkele Engelse eigenaardigheden aan de NRC-lezers uit. Zo wijst hij erop dat prive-voorstellingen van toneelstukken in Engeland toen heel gewoon waren, omdat dit de enige manier was om aan de strenge censuur te ontkomen. Ibsens Spoken en Shaws Mrs Warren's Profession, zo meldt hij, werden ook onder dergelijke omstandigheden opgevoerd. “Al die stukken - behoef ik het te zeggen - ' merkt Geyl vervolgens op, “worden op het vasteland overal zonder enige stoornis gegeven.' De correspondent vindt deze verregaande vorm van puritanisme dus kennelijk nogal belachelijk.

Maar reeds in de volgende zin maakt Geyl zelf een opmerking die ook een zekere preutsheid verraadt, namelijk als hij vertelt dat het artikeltje in The Vigilante waarin gesuggereerd werd dat er onder de bezoekers van Salome enkele duizenden van de 47.000 tegennatuurlijken zouden zijn, was verschenen “onder een titel die men in een behoorlijke krant niet kan herhalen, maar die aan wat eronder volgt een nog tienmaal beledigender betekenis geeft.'

De hele zaak wordt verder door Geyl uitvoerig beschreven, maar de titel van dit beruchte artikel, waar alles in feite om draaide, wordt nergens onthuld, ook niet in de heruitgave van zijn brieven veertig jaar later in Engelse figuren, waarin toch een aantal verklarende voetnoten zijn opgenomen. Wat de lezers van de NRC en van Engelse figuren werd onthouden, kunnen zij nu vinden in de Author's Note in Deel 2 van The Regeneration Trilogy. Het artikel met de onfatsoenlijke titel heette - geloof het of niet - The Cult of the Clitoris! Ik kan mij voorstellen dat Geyl in 1918 vond dat hij dit niet in een fatsoenlijke krant kon vermelden.