Pretoria is klaar voor regionale politietaak

`De wapenorder van de eeuw', noemen waarnemers het jongste besluit van Zuid-Afrika om zijn leger en luchtmacht uit te rusten met hypermodern materieel. De minister van Defensie heeft ambitieuze plannen.

Het is een juweeltje. Ook wie niet van wapens houdt, kan uit esthetisch oogpunt de mooie vormen van de Saab JAS-39 Gripen moeilijk ontgaan. Het ranke Zweedse jachtvliegtuig staat geparkeerd op het asfalt van Zuid-Afrika's grootste luchtmachtbasis, Waterkloof bij Pretoria, waar deze week `s lands eerste internationale wapenbeurs, Dexsa, plaatsheeft. Saabs vertegenwoordiger Hans Bergland staat pontificaal voor zijn troetelkindje, trots op het feit de `uitverkorene' van de Zuid-Afrikaanse regering te zijn. “We zijn de beste', zegt hij weinig bescheiden.

Achteraan in een van de hangars staat een Mirage F-1-A-2 van de Zuid-Afrikaanse luchtmacht, het toestel dat zal worden afgedankt voor de Gripen. De Franse wapenfabrikanten zijn de grote verliezers van de Zuid-Afrikaanse wapenorder van de eeuw: geen enkel Frans bedrijf slaagde erin de gunst van Pretoria te verwerven, net zo min als niet-Europese wapenfabrikanten overigens.

Saab mag aan de Zuid-Afrikaanse luchtmacht 28 Gripens leveren. De order wordt uitgevoerd in samenwerking met British Aerospace en vertegenwoordigt een waarde van elf miljard rand. Het Brits/Zweedse consortium is daarmee een van de grote winnaars van de Zuid-Afrikaanse miljardenorder. Een andere spekkoper is een Duits consortium dat met succes dong naar de order voor drie onderzeeboten en vier korvetten, eveneens goed voor 11 miljard rand. British Aerospace levert voorts 24 Hawk-100 trainingsvliegtuigen (4,7 miljard rand), terwijl van het Italiaanse Agusta veertig helikopters worden betrokken (2,2 miljard rand).

Onderminister van Defensie Ronnie Kasrils zei gisteren dat materiele vernieuwing van het leger dringend nodig was. “Zuid-Afrika kan nu de volgende eeuw ingaan met een nieuwe defensiemacht die in staat is onze soevereiniteit en onze mensen te verdedigen.'

De keus voor modernisering van het leger vloeit voort uit de veranderde opvattingen van de ANC-regering over de militaire rol van Zuid-Afrika. Ten tijde van de struggle had het links-georienteerde leiderschap van het ANC maar een doel: na de overwinning op de apartheid zou het leger overbodig zijn en konden de wapens worden afgeschaft. Er was immers geen binnenlandse vijand meer, terwijl in de buurlanden geestverwanten aan de macht waren.

In het begin van zijn regeerperiode, vanaf 1994, leek president Mandela ook bewust zwaarden te willen verruilen voor ploegijzers. Onder voorzitterschap van de minister voor Water, Kader Asmal, kwam het Nationaal Comite op de Controle van Conventionele Wapens (NCACC) tot stand, dat korte metten leek te maken met de onder de apartheid opgebouwde defensie-industrie.

De dienstplicht werd afgeschaft en er werd begonnen met een forse afslanking van het personeelsbestand. De voormalige, overwegend blanke strijdmacht telde op het hoogtepunt van de apartheid, in de tweede helft van de jaren tachtig, naar schatting 150.000 leden. Dat aantal is inmiddels teruggebracht tot 90.000. Het streefgetal, binnen enkele jaren te bereiken, is een leger van 70.000 mannen en vrouwen.

Maar in 1996 kwam er een kentering in het denken. De realisten kregen de overhand: minister van Defensie Joe Modise redeneerde met succes dat Zuid-Afrika beslist een leger nodig had. Hij zag de uitgebreide en winstgevende defensie-industrie niet als onethische bedrijfstak, maar als erfstuk dat men niet diende weg te gooien. Zijn collega-bewindslieden op de ministeries van Handel, Industrie en Economie ontdekten vervolgens ook de economische voordelen van de militaire sector.

De wapenbeurs DEXSA op Waterkloof is in feite een neerslag van de grote overwinning van het realistische kamp. Want naast de buitenlandse wapenproducenten stellen vooral de tientallen Zuid-Afrikaanse bedrijven hun waren ten toon. Denel een groot staatsbedrijf, demonstreert er zijn splinternieuwe geavanceerde Rooivalk gevechtshelikopter, die het Zuid-Afrikaanse leger inmiddels in gebruik heeft en die men wereldwijd hoopt te verkopen.

Op het politieke vlak kwam Zuid-Afrika eveneens tot bezinning. Sinds de overgang veranderde het land, nu onder een overwegend zwarte regering, van een paria tegen wil en dank tot een regionale grote mogendheid. Niet alleen andere landen in Zuidelijk Afrika, maar ook de Verenigde Staten en Europa zien Zuid-Afrika graag in die functie, als regionale politieman. Hoewel deze taak ook op verzet stuit, met name bij enkele buurlanden zoals Namibie en Zimbabwe, is Zuid-Afrika dankzij zijn grote economische macht en hoge ontwikkelingsniveau de natuurlijke leider van Afrika bezuiden de Sahara.

Na aanvankelijke aarzelingen legt het Zuid-Afrikaanse leger zich nu vooral op die taak toe. De modernisering van de luchtmacht en de marine vloeien hier logisch uit voort: het is van groot belang om snel door de lucht bepaalde taken te kunnen uitvoeren, dan wel vanuit zee controle te kunnen uitoefenen, terwijl feitelijke gevechtshandelingen van minder belang zijn. Vandaar dat de eerder overwogen aanschaf van 108 nieuwe gevechtstanks voorlopig is uitgesteld. De kans dat de landmacht bij grote operaties zal worden betrokken is vooralsnog klein.

Joe Modise, voormalig commandant van de gewapende tak van het ANC, Umkontho we Sizwe (Speer van de Natie), heeft nu heel duidelijk voor ogen hoe zijn leger er uit moet zien: een efficient, relatief kleine macht, die op elk moment kan uitrukken bij regionale `branden' of binnenlands kan worden ingezet ter bestrijding van bijvoorbeeld criminaliteit.

Modise heeft ook zijn hulp aangeboden bij de Congo-crisis. Zuid-Afrika is bereid met een vredesmacht uit te rukken. Maar niet langer als partij, maar als de onpartijdige oplegger van vrede in Afrika.

Met dit materieel kan Zuid-Afrika branden blussen