Noodpiet

Sinds Flip Willebrandts, de oudere broer van de eens zo bekende jazzpianist Dick Willebrandts, na de oorlog in de Rochussenstraat een nachtbar had geopend, was mijn vader er ieder jaar Sinterklaas. Indien ik het mij goed herinner, heette dit etablissement De Pul, en klokslag elf uur op de avond van vijf december begon er het feest, dat niet toegankelijk was voor toevallige bezoekers, maar uitsluitend voor de stamgasten, die aan de hand van het dikke boek onder grote hilariteit door mijn vader op het matje werden geroepen.

Behalve deze welkome bijverdienste waren er de per uur betaalde sinterklaasvisites, zowel bij families aan huis als in lunchrooms, scholen en zelfs kantoren, die mijn vader met zijn zwarte knecht - meestal de zoon van een van zijn vele kennissen - per taxi aflegde. Met veel plezier is hij de rol van goedheiligman tot op hoge leeftijd blijven vervullen. Dat ik de gebroeders Willebrandts na meer dan twintig jaar in de nachtbar zou terugzien, kwam niet alleen door mijn aanvankelijk schoorvoetend optreden als `noodpiet', maar tevens door de geheel onvoorziene samenloop van omstandigheden die eraan voorafging.

Toch had ik het niet willen missen, ook omdat ik Flip en Dick al vanaf mijn vijftiende jaar kende toen mijn vader hen in het begin van hun carriere voor feesten en partijen placht te engageren. Flip speelde accordeon, en met een derde man (een violist, saxofonist of drummer) verzorgden zij in de orkestbak van een feestzaal het muzikale gedeelte van onze revues en luisterden het bal op dat gewoonlijk na afloop van het programma voor de leden van een jubilerende vereniging werd gehouden.

In de revues - waaraan ik, nauwelijks van de schoolbanken, gedurende mijn kortstondige dansperiode mijn medewerking verleende - had ik voornamelijk met Dick te maken, die mij met grote vaardigheid begeleidde wanneer ik op de tonen van Chopins Valse triste, met wapperende vleugels aan weggemoffelde bamboestokjes in de mouwen van mijn kostuum, mijn mysterieuze vleermuizennummer opvoerde, of op mijn lievelingsmelodie Butterflies in the rain tegen de achtergrond van een flets bosdecor een fladderende vlinder trachtte uit te beelden.

Het misverstand ten gevolge waarvan ik mijn vader als onvrijwillige Zwarte Piet naar De Pul zou vergezellen was toe te schrijven aan het feit dat Sinterklaas dat jaar op zondag viel en de traditionele viering op zaterdagavond zou plaatsvinden.

Achteraf bleek het al weken tevoren te zijn afgesproken, maar door alle beslommeringen was het mijn vader door het hoofd gegaan.

Mijn moeder en ik wisten dan ook van niets toen we op de avond van de vierde december als vanouds met grootmoeder en de tantes om de aangesneden boterletter zaten en mijn vader, onbewust van zijn dwaling, tegen elven van zijn tocht langs zijn uitgebreide klantenkring thuiskwam. Nadat hij en zijn knecht zich op zolder hadden verkleed en afgeschminkt en de knecht was vertrokken, betrad mijn vader de kamer en liet zich in zijn leunstoel vallen met de woorden: “Een knapperd die mij hier nog uit krijgt.'

Hij had het nog niet gezegd of er werd luid gebeld. “De goedheilig man!' riep ik mijn moeder na, toen ze in de gang de deur opentrok. Mijn stem ging echter verloren in de alarmerende kreten die uit het portaal opstegen, en die zoveel betekenden als `Waar blijft Sinterklaas!?' Op hetzelfde moment sloeg mijn vader zich tegen het voorhoofd en schoot uit de stoel die hij zoeven had gezworen niet te zullen verlaten. “De Pul', bracht hij uit, waarna de consternatie niet was te overzien.

Gevolgd door mijn moeder en mij rende hij de trap op naar zolder en begon zijn kleren uit te trekken, terwijl ons van beneden de afscheidsgroet van grootmoeder en de tantes bereikte, die overhaast het pand verlieten waarvoor de onheilsbode in een auto zat te wachten. Zich ijlings in zijn tabberd hullend, zei mijn vader dat het te laat was om de knecht te waarschuwen en dat erop werd gerekend dat hij met bijbehorende Piet zou verschijnen. Zo gebeurde het dat ik mij in maillot en pak van de knecht hees, die mij aanmerkelijk te ruim zaten, en lijdzaam mijn gezicht zwart liet maken, zoals lang geleden toen ik nog thuis woonde en af en toe inviel wanneer er geen knecht disponibel was.

Alles bijeen zal er drie kwartier voorbij zijn gegaan voor we in de Rochussenstraat belandden, waar de deur van de nachtbar openzwaaide en de aanwezigen ons luid applaudisserend verwelkomden, terwijl ik mijn vader volgde met het boek onder mijn arm. Dick Willebrandts, die achter de piano zat, liet zijn muzikale fantasie de vrije loop met een variatie op `Zie de maan', en Flip boog zich hoffelijk over mijn vaders toegestoken hand, terwijl hij hem toesiste: ``Waar bleef je in godsnaam?'

Helaas was ik de rol van de jolige knecht helemaal verleerd en daarom trok ik me de rest van de avond zoveel mogelijk terug bij de piano, waar Dick en ik, dankzij de pittige bisschopwijn, steeds meer herinneringen ophaalden - hij getrouwd, gescheiden en hertrouwd, ik getrouwd, gescheiden en hertrouwd - hetgeen hem de opmerking ontlokte dat de tijd van de vleermuizen- en vlinderdans onherroepelijk voorbij was.

Toen mijn vader en ik tegen sluitingstijd vertrokken, hoorde ik in plaats van het traditionele `Dag Sinterklaasje' plotseling `Butterflies in the rain' opklinken, op precies dezelfde luchtige manier waarop hij het vroeger had gespeeld. Het gaf me een schokje van ontroering, en even kwamen die zo heel andere, argeloze jaren van voor de oorlog terug. Ik durfde niet om te kijken en hief alleen mijn arm op als teken van herkenning.

Hierna ben ik nooit meer Zwarte Piet geweest, en Flip en Dick heb ik nooit meer teruggezien.