Nederlandse muziek plicht voor orkesten; Advies Raad voor Cultuur:

De Raad voor Cultuur vindt dat de Nederlandse orkesten in de volgende subsidieperiode 2001-2005 zich moeten verplichten tot een “fantasievolle programmering van Nederlandse muziek.'

Die verplichting zou in de plaats moeten komen van de door de vorige staatssecretaris van cultuur Nuis opgelegde norm van 7 procent, zegt de Raad voor Cultuur vandaag in een advies aan Nuis' opvolger Van der Ploeg.

De plannen voor uitvoering van Nederlandse muziek, die de orkesten zullen indienen bij hun toekomstige subsidie-aanvragen dienen volgens de Raad zwaar te wegen bij de vaststelling van de subsidies in de volgende Cultuurnota, die Van der Ploeg bij de Tweede Kamer moet indienen.

Grotere inspanningen op dit terrein hoeven volgens de Raad niet te leiden tot `muzikaal nationalisme' maar zijn een vanzelfsprekend onderdeel van een `vitaal artistiek klimaat'.

De Raad voor Cultuur wil niet, zoals Nuis had gevraagd, een beoordeling van de inspanningen voor de Nederlandse muziek per orkest geven, omdat het nieuwe beleid nog te kort in werking is om nu al opvallende beleidswijzigingen bij de orkesten te signaleren. Wel constateert de Raad “met enige goede wil' nu “een mogelijke verbetering' in de uitvoeringspraktijk van Nederlandse muziek en schat dat veel orkesten niet erg afwijken van de norm van zeven procent. De orkesten werken ook samen met de stichting Donemus aan nieuwe plannen.

Hoewel kwantiteit en initiatieven tot tevredenheid zouden kunnen stemmen, signaleert de Raad ook ongunstige ontwikkelingen. Als het Nederlands Kamerorkest, het Nederlands Balletorkest en de omroeporkesten niet worden meegerekend, spelen de overige tien orkesten dit seizoen elf nieuwe werken, die zij bij elkaar achttien keer uitvoeren. Daarbij gaat het telkens om relatief korte stukken en worden ook nog bewerkingen van andere muziek door Nederlandse componisten meegeteld.

Verder signaleert de Raad dat vaak dezelfde Nederlandse componisten worden uitgevoerd, en dat de levende componisten onder hen vrijwel allemaal behoren tot een wat oudere generatie. Dat kan er volgens de Raad op duiden dat er een canon ontstaat van meesterwerken van alom gerespecteerde componisten. Maar dat er slechts weinig namen bij komen, wijst op gemakzucht of gebrek aan durf bij de uitvoerders.

Ook al is er een trend naar verbetering, dan nog is niet voldaan aan de eis van een “algehele fantasievolle en vitale uitvoeringspraktijk' van Nederlandse muziek, zegt de Raad. Buitenlandse ensembles spelen bij gastoptredens in ons land wel werk van `hun' componisten, maar Nederlandse ensembles doen dat omgekeerd niet, of met kennelijk onvoldoende resultaat.

De Raad vindt het jammer dat in de internationale concertprogramma's wel vaak Duitse, Engelse, Scandinavische, Baltische, Kaukasische en Chinese componisten figureren maar Nederlandse componisten slechts incidenteel. Alles moet op alles worden gezet “om Nederlandse componisten een permamente plaats te geven in de canon van componisten die internationaal in de schijnwerpers staan.'

De Raad voor Cultuur herhaalt de aanbeveling uit een vorig advies om een stimuleringsfonds in te stellen bij bijzondere evenementen, voor het inhuren van extra musici voor ongebruikelijke bezettingen, bijzondere vormen van publiekswerving en bijzondere projecten met gastprogrammeurs en gastcomponisten.