MONTAGEHISTORIE

De allereerste films, zoals La sortie de l'usine Lumiere a Lyon (1895) waren statische registraties: de camera werd op een vast punt neergezet en legde een gebeurtenis (de fabriek gaat uit, de trein komt aan) van begin tot eind vast. Fictiefilms waren vooral, door titelkaarten verhelderde, scenes uit een toneelstuk.

De Amerikaanse regisseurs Edwin S. Porter en vooral D.W. Griffith ontdekten dat de handeling versneld en verdicht kan worden door vanuit verschillende hoeken en afstanden (close-up, medium, totaal) gemaakte opnamen elkaar te laten afwisselen. Opdat de kijker zich minder snel verveelt.

Het uitzoeken van en het op een spannende manier achter elkaar zetten van filmbeelden heet in het Engels `editing' en in het Frans en Nederlands `montage'. Het beroep wordt in zowel het Engels als het Nederlands bij voorkeur aangeduid als `film editor'.

Filmmontage werd een kunst en een wetenschap in de Sovjet-propagandafilms van de jaren twintig en door publicaties van Sergej Eisenstein en zijn leermeester Lev Koelesjov. Het befaamde zogeheten Koelesjov-experiment laat dezelfde close-up van een acteur voorafgaan of volgen door respectievelijk een kom soep, een spelend kind en een vrouw in een lijkkist. Desgevraagd blijken kijkers op hetzelfde gezicht steeds een andere uitdrukking te lezen. Nog belangrijker: als de close-up voorafgegaan en gevolgd wordt door de soep weet elke kijker zeker dat de acteur naar de kom soep kijkt, ook al heeft hij die in werkelijkheid nooit gezien. Deze in het hoofd van de kijker opgebouwde continuiteit heet het Koelesjov-effect en is een machtig middel tot manipulatie.

De lessen van Griffith, Eisenstein en Koelesjov zijn door Hollywood in de praktijk gebracht en vervolmaakt tot de standaardfilmgrammatica, die bekendstaat als `continuiteitsmontage'. Het streven daarvan is dat de kijker zich niet meer bewust is van montage van de film, en optimaal in de film als werkelijkheid gelooft. In grote lijnen is continuiteitsmontage nog steeds de dominante vorm, al is het tempo de laatste decennia onder invloed van televisie en videoclip sterk verhoogd.

Het verzet tegen deze manier van monteren komt voornamelijk uit Europa. In het Italiaanse neorealisme (eind jaren veertig) werden weer lange, ongemonteerde scenes geintroduceerd, die spannend bleven door camerabewegingen of variaties in focus. Zo'n lange camera-instelling wordt aangeduid met de Franse term `plan sequence' en heeft vaak een theatrale, vervreemdende werking. Regisseurs die er in excelleren zijn Jean-Marie Straub, Theo Angelopoulos, Michelangelo Antonioni en Chantal Akerman.

De nouvelle vague (begin jaren zestig) en haar documentaire tegenhanger (cinema verite of direct cinema) introduceerden een andere manier om tijd te overbruggen dan de traditionele afwisseling van camerahoek en -afstand: de `jump cut'. Zonder van standpunt te veranderen wordt een stukje tijd overgeslagen, zodat het beeld verspringt. Het effect is onbeholpen, maar authentiek. De `jump cut' is lang uit de mode geweest, maar maakt hier en daar een voorzichtige comeback. Nieuwe montagetechnieken, die verschillende gebeurtenissen gelijktijdig in beeld brengen, worden door de digitale techniek steeds belangrijker.