Lodewijk van Deyssel

Hoe kan dat, een behoorlijk gedicht van iemand die geen dichter is? Of althans - van iemand die niet als dichter bekend staat? `Ongeveer het enige sonnet, dat ik als een hemelse zonde op mijn prozaisten-geweten heb', verklaarde Van Deyssel over dit Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen. We moeten `ongeveer het enige' met een korreltje zout nemen - Van Deyssel bezondigde zich wel vaker aan een sonnetje. Maar het is duidelijk wat hij bedoelt - ongeveer het enige toonbare sonnet. Zijn andere hemelse pogingen lukten minder, hij gaf het op en niemand die Van Deyssel ooit een dichter zou noemen.

Het sonnet ligt ook letterlijk begraven, in de zesde bundel van zijn Verzamelde Opstellen, tussen eindeloze causerieen en prozaschetsen - een diamant die werd opgeborgen in een broodtrommel, een bloem verstopt in een aardappelzak.

Is een schrijver die een paar gedichten schrijft maar er verder de brui aan geeft, een dichter? Pleegde hij prozaisch verraad aan de hemelse zonde? Ik zou het niet weten. Voor zoiets moeten we te rade gaan bij de waarlijk grote geesten die veel over poezie hebben geprakkiseerd. Bij Leonard Nolens bij voorbeeld. In een interview in De Standaard der Letteren van vorige week merkte hij op, naast andere schone bevlogenheden uiteraard: `Hier kom ik weer uit bij mijn persoonlijke hierarchie: het gedicht staat bovenaan. Het is toch vreemd dat veel dichters goed proza schrijven, maar omgekeerd kunnen zelfs de beste prozaisten zelden met poezie overweg. Mulisch, Reve en Hermans zijn eigenlijk mislukte dichters. Waarom hebben ze de poezie ooit opgegeven?'

Nu, die persoonlijke annexatie van `het gedicht staat bovenaan' zullen we Nolens maar vergeven. Ook is het maar de vraag of de gedichten van de prozaisten Mulisch, Reve en Hermans net zo larmoyant zijn als het proza van de dichter Nolens.

Toch wordt hier een interessante kwestie aangesneden. Het beoefenen van de poezie als een opstapje of een terzijde komt veel vaker voor dan alleen bij Mulisch, Reve en Hermans. Nolens krijgt nu eenmaal geen andere namen uit zijn mond dan die uit de eredivisie. Ook bij Joost Zwagerman en Arnon Grunberg kunnen we het verschijnsel waarnemen - je denkt bij die twee in de eerste plaats aan proza.

Nolens heeft maar een verklaring voor hun ontrouw: `Misschien omdat ze moeilijk konden leven met de gedachte dat hun werk slechts voor een kleine kring bestemd zou zijn.' Het zijn dus eigenlijk ordinaire jagers naar een groot publiek, geldwolven zelfs - zo heel anders dan Nolens.

Verraders van het ideaal. Dat zulke schrijvers zich in proza uitdrukken omdat ze zich in proza gewoon lekkerder voelen, het komt niet bij Nolens op. Dat ze de grenzen van hun poezietalent, maar vooral ook de grenzen van de poezie hebben leren inzien, het zou een andere mogelijkheid zijn. Je maakt de poezie niet groter door de roman omlaag te halen, zoals Nolens doet. Wat zou de werkelijke reden zijn dat een schrijver, die heeft bewezen tot het schrijven van een gedicht in staat te zijn, de poezie vaarwel zegt? Alleen mercantiele opzet kan dat niet zijn, al moet iemand mij nog uitleggen wat er verkeerd is aan een schrijver die met zijn werk geld wil verdienen. Het fenomeen blijft boeiend.

Waarom schreef Van Deyssel niet meer van zulke sonnetten en Helene Swarth wel? Het kon er in zijn tijd heel wel mee door, dit sonnet. Kloos was er enthousiast over. Nog in 1925 schrijft de dichter J. Greshoff aan de uitgever Stols (`Beste Sander, do it now!' , eerste deel van hun briefwisseling, bldz. 108): `Tussen mijn rommel vind ik iets dat je zeker zult kunnen gebruiken: de enige bekende gedichten van Van Deyssel, met het sonnet: `Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen...', dat je in een der bundels proza kunt vinden. Een fijn, klein plaketje daarvan zou iets voor de liefhebbers wezen.' Uit de aantekeningen bij deze brieveneditie blijkt overigens dat er van zo'n plaquette nooit iets is gekomen. Toch had dit gedicht genoeg pit om blijvend op te vallen.

Nu ja, zo'n echt geweldig gedicht is het ook weer niet, met dat akelige daarheen en die aanvaring van de dichter met mejuffrouws adem. Toch is het niet gek voor iemand die nadien de poezie liet vallen als een baksteen.

Je bent een `mislukt dichter' als je mislukte gedichten schrijft. Niet als je er op een dag mee ophoudt. Toch zal Van Deyssel hebben ingezien dat hij een schrijver van mislukte gedichten zou worden. In zijn geval heeft het poetische probleem dat we hier opwierpen een simpel staartje. In het boek Lodewijk van Deyssel. Dertien close-ups van Harry G.M. Prick wordt aangetoond dat Van Deyssel zijn sonnet ter beoordeling naar Willem Kloos stuurde en dat Kloos er het een en ander aan verbeterde. De slotregels zagen er, om maar iets te noemen, in Van Deyssels hand oorspronkelijk zo uit:

Zo vreeslijk droef en teer dat ik, te wenen / In mijn arm, u naast mij denk te staan

dan is Kloos toch echt een tikkeltje vloeiender. Kloos was dan ook de Leonard Nolens van zijn tijd. Een honderd procent, full time, voor de volle mep gegarandeerd poeet. Sommige mensen kunnen nu eenmaal beter dichten dan andere mensen, zelfs beter dan sommige prozaisten. Al met al geen reden om met de neus in de wind te gaan lopen.