Kniestukken voor de programmeur; Kruisbestuiving tussen vakkleding en mode

Is er in de kledingwinkels nog een broek te vinden zonder klepzak op de zijnaad? Zelfs op geklede grijswollen pantalons zitten ze, en het bijpassende colbertje heeft soms een - afknoopbare - capuchon. Workwear-invloeden - duimstokzakken, hamerlussen - zijn prominent aanwezig in de mode.

Wat functioneel is voor de stratenmaker wordt versiering voor de computerprogrammeur. Die heeft echt geen knielappen nodig en al helemaal niet als ze dichtgestikt zijn, zodat de oorspronkelijke mogelijkheid om ze te vullen met kniebeschermers is verdwenen. Toch zijn de Wranglers met opgestikte kniestukken niet aan te slepen, aldus Ruud van Doorn, eigenaar van De Mof (voor vak- en vrijetijdskleding) in Amsterdam.

Waar zoveel modemerken en ontwerpers hun collecties `opleuken' met elementen uit vakkleding (lichtgevende biezen bij Helmut Lang `fisherman-pants en andere `workers' van G-Star) wekt het verbazing dat niet meer mensen op zoek gaan naar de echte vakkleding. Het gebeurt wel: In Duitsland worden Snickers - professionele kleding voor `de bouw en aanverwant' - in discotheken gedragen en ook in Nederland zijn knaloranje wegwerkers-jacks met zilveren strepen gesignaleerd in het clubcircuit, maar dat zijn uitzonderingen.

Toch heeft echte vakkleding een streep voor op de verwaterde modieuze varianten: de betere prijs-kwaliteitverhouding. Dat leert een vluchtige inventarisatie in De Mof: een broek van diepblauw glanzende beaverteen, een oersterk katoenweefsel van ouderwetse kwaliteit kost in de gangbare maten f60. Voor een koksbroek in grove blokprint, afgewerkt met een vuilafstotende teflon laag betaal je slechts f69. Er zijn mooie 100 procent wollen joppers en bonkertjes, onder andere van Biesot in Leiden, en het populaire Amerikaanse merk Spiewak, of de modernere en praktischer waterdichte jacks in een menging van 50 procent katoen en 50 procent nylon. “Kan zo in de wasmachine, de buitendienst van het hele gemeentewezen in Nederland draagt dit soort jassen', zegt Van Doorn. De lage, leren werkschoenen voor f99 zijn gewild bij studenten die lang willen doen met een paar schoenen “maar', constateert Van Doorn, “van zulke wakkere mensen heb je er niet veel. Ik vind f150 voor een simpele wollen schipperstrui eigenlijk meer dan voldoende, maar ik zie boetieks er rustig f300 tot f400 voor vragen.'

De kruisbestuiving tussen mode en vakkleding is allesbehalve nieuw - de spijkerbroek is wel het meest voor de hand liggende voorbeeld.

En wie herinnert zich niet de overalls en tuinbroeken uit de jaren '70 in alle kleuren van de regenboog? Die werden inderdaad geproduceerd door fabrikanten van vakkleding en wit aangeleverd zodat de detailhandel ze kon verven in de modekleuren van het moment, herinnert verkoopster Wilma Rietkamp van De Mof zich. Nu zijn juist de echte werkerskleuren (donkerblauw, donkergroen, zwart, grijs en beige) meer in trek.

De opkomst van sport- en buitenactiviteiten, maar ook de doe-het-zelf en tuinier-rages van de afgelopen jaren hebben de consument het gemak doen inzien van ruime broeken met veel zakken, gereedschapsvesten klittebandsluitingen, elastische rugpanden, dubbelgestikte naden voor extra stevigheid en grof schoeisel. Maar emotie speelt, als altijd, ook een rol. Er wordt in trendwatch-kringen wel gewezen op een behoefte aan authenticiteit en traditie: workwear roept associaties op met hardwerkende handwerkslieden en aan een leefwijze die misschien niet gemakkelijker maar wel simpeler was. Daarnaast moet de populariteit van stoere workwear met name onder jongeren, ook iets te maken hebben met de herwaardering voor een `oermannelijk' beeld - dat overigens ook door meisjes en vrouwen wordt opgepikt.

Mannelijkheid was voor ontwerper Toyz Stengs in elk geval een belangrijk thema in zijn collectie frivole workwear die hij in het afgelopen half jaar negen keer showde in Nederland. “De kleding maakte blijkbaar veel los - veel vrouwen zeiden dat het er op straat een stuk leuker uit zou zien als mannen mijn kleding zouden durven dragen.' Het zit hem, denkt Stengs, in de combinatie van zeer mannelijke modellen - long johns, smidsvoorschoten, vliegeniersoveralls - en een ongebruikelijke stofkeuze: stugge transparante nylons, vloeiende lappen met een glanzende finish of superstrakke stretchcorduroy. “Daardoor is het tegelijkertijd extreem en herkenbaar. Misschien niet geschikt om te dragen naar de supermarkt, wel goed voor een feestje.'