Inrichting van Nederland vereist gerichte keuzes

Het beslag op de schaarse ruimte in Nederland wordt steeds groter. Dit stelt nieuwe eisen aan de ruimtelijke ordening, vindt minister Jan Pronk. De tijd van slalommen tussen alle wensen is voorbij, er moet doelgericht worden gestuurd. Vandaag presenteerde hij zijn tienpuntenplan.

De natuurlijke bevolkingsgroei is afgenomen. Zonder immigratie daalt de bevolking wellicht op termijn. De omvang van de migratie is onzeker. We moeten rekening houden met groei, maar ook met krimp. De samenstelling van de bevolking verandert eveneens. De pluriformiteit neemt toe. De immigratie kan gevolgen hebben voor de woon- en leefpatronen. Datzelfde geldt voor de vergrijzing, de gezinsverdunning en de toenemende welvaart van jongeren. Het aantal eenpersoonshuishoudens stijgt. Het zijn huishoudens die beschikken over veel vrije tijd en bestedingsruimte. Hun keuzemogelijkheden nemen toe. Gaan ze buiten wonen? Of vestigen ze zich juist in de stedelijke centra, dicht bij de voorzieningen?

Trouwens voor alle huishoudens geldt dat bij een stijgend welvaartsniveau en een gemiddeld hoger opleidingsniveau zich een veelheid van leefstijlen en activiteitenpatronen aandient. De grotere varieteit en afnemende voorspelbaarheid vereist meer flexibiliteit en meer ruimte.

Dit geldt ook voor de woonmilieus. Men wil zowel groter als mooier wonen met meer identiteit. Schattingen wijzen op een sterke groei van de vraag naar centrumstedelijke woonmilieus (door de groei van het aantal alleenstaanden) en ook naar landelijke woonmilieus. Dat staat op gespannen voet met het huidige aanbod. Het grootste deel van de nieuw gebouwde voorraad bestaat immers uit etagebouw en woningen in stadswijken en nieuwe uitleggebieden aan de randen van de steden.

Als we niets doen zal dit leiden tot het verder `openklappen' van de steden en tot een verdere groei van het woon-werkverkeer. De grote naoorlogse woongebieden in en rond de steden en de groeikernen krijgen het moeilijk. Daar wacht een herstructureringsopgave.

De economische vooruitzichten zijn evenmin eenduidig. De economie verandert van karakter. Door de schaalvergroting van de activiteiten neemt de vraag naar mobiliteit sterk toe: meer vliegverkeer, meer goederenvervoer, meer woon-werkverkeer. De wegen slibben dicht. Congestie, vervuiling en hinder nemen toe. Dat was vooral een Randstadprobleem, doch het wordt een nationaal vraagstuk.

Een laatste factor betreft het water. Er is de afgelopen decennia de gewoonte ontstaan om het watersysteem aan te passen aan het ruimtegebruik, in plaats van andersom. Dat kan zo niet verder. Door de stijging van de zeespiegel kan het rivierwater minder gemakkelijk in zee uitstromen, terwijl juist meer rivierwater de delta binnenkomt. In de polders daalt de bodem door ontwatering, wat weer vraagt om krachtiger pompen. Zo pompen we onszelf naar beneden, krijgen we last van zoute kwel en wordt de veiligheid bedreigd. Een vijfde van het land kampt ondertussen met een verdroogde bodem. Daar komt bij dat in het natte seizoen regenwater van goede kwaliteit zo snel mogelijk wordt afgevoerd, terwijl 's zomers vervuild rivierwater moet worden gezuiverd om als drinkwater te kunnen dienen. De waterhuishouding schept zo haar eigen tegenstellingen.

Het beslag op de ruimte dat uit al deze factoren tezamen voortvloeit is groot. Het verschilt van dat in de afgelopen periode. Toen kon er nog veel naast elkaar. Nu dreigt verdringing en moet er gekozen worden. Dat stelt nieuwe eisen aan de ruimtelijke ordening. We moeten meer sturen, niet slalommen in de zin van: de markt faciliteren en knelpunten gladstrijken. Nee, doelgericht koersen. Het doel is de ruimtelijke kwaliteit van ons land te verbeteren, om wonen en werken communicatie en culturele ontwikkeling mogelijk te maken in een leefbare omgeving.

Ruimtelijke kwaliteit omvat naast functionaliteit nog vier dimensies. Ten eerste die van de menselijke maat. Mensen dienen zich in de ruimtelijke omgeving thuis te kunnen voelen, niet overweldigd door de infrastructuur. En de wijze van benutting waartoe die infrastructuur uitnodigt mag de veiligheid en gezondheid van mensen niet in gevaar brengen.

Menselijke maat als leidend beginsel, ook op lange termijn, vergt duurzaamheid. Dat is de derde dimensie van kwaliteit. De ruimtelijke ingrepen dienen zo weinig mogelijk onomkeerbare gevolgen te hebben. Onomkeerbaarheid is verlies. Ingrepen mogen alleen plaatsvinden wanneer de winst die daartegenover staat permanent is. Toekomstige generaties dienen bij het benutten van de ruimte ten minste dezelfde keuzemogelijkheden te hebben als de huidige. Bescherming van de ecologische kringloop, behoud van biodiversiteit, instandhouding van basis-natuurgebieden mag door de bouw en benutting van de fysieke infrastructuur niet wezenlijk worden aangetast. Het ingrijpen van de mens mag de draagkracht van het natuurlijk systeem niet te boven gaan. Een duurzame ontwikkeling vergt een zodanige exploitatie en belasting van hulpbronnen dat het regeneratievermogen niet overschreden wordt. Ook dat is kwaliteit.

Duurzaamheid is gebaat bij evenwicht tussen wat mensen hebben gebouwd en hetgeen door de natuur is gewrocht. Locaties kunnen veranderen, doch de ruimtelijke kwaliteit is niet gebaat bij een algehele terugdringing van de natuur door menselijke artefacten.

Kwaliteit vraagt ook anderszins om verscheidenheid. Niet elke plek moet op de andere gaan lijken. Naast plekken waar drukte en lawaai, dynamiek en licht overheersen, moeten er gebieden zijn waar rust en stilte heersen, waar het nog donker wordt, waar een horizon valt te zien en van verten kan worden genoten.

Naast nieuwbouw met een eigentijds gezicht moeten er plekken zijn waar het verleden aanwezig blijft: landschappen met een rijke cultuurhistorie, steden met een door vele generaties aanschouwde architectuur. En de nieuwe architectuur moet niet resulteren in woonwijken die de identiteit van de stad geweld aandoen, in kantoorgebouwen die overal in Nederland hetzelfde zijn, in hotels waarin men niet meer weet in welk land men verblijft.

Kwaliteit van de ruimte betekent daarom ook dat de mensen hun omgeving mooi kunnen vinden. Niet iedereen hanteert dezelfde maatstaven. Sommigen storen zich aan de horizonvervuiling door windmolens, anderen worden getroffen door hun moderne elegance. Maar er zijn ook slordig opgetrokken windschermen, rommelige bedrijven-locaties die de stadsrand versmoezelen, lintbebouwing die de ruimte verrafelt morsige flatgebouwen die armoe uitstralen, kantoorkolossen die qua afmetingen en aanzicht detoneren in eerdere bebouwing. Zo'n vormgeving van de ruimte boeit niet, roept geen tegenspraak op, stompt slechts af.

Ruimtelijke kwaliteit: functioneel, duurzaam, gevarieerd, op een menselijke schaal en met een eigen aantrekkelijk karakter. Ook die kwaliteiten staan onder druk, niet alleen de ruimte in fysieke zin. Wat betekent dat voor de ruimtelijke ordening in de komende jaren? Laat ik zonder volledigheid na te streven, tien punten noemen.

Ten eerste: de invalshoek wordt internationaal. Het verschil met vroeger is dat daarbij minder het accent moet liggen op concurrentie, meer op samenwerking. Inzicht in gemeenschapplijke kansen en problemen moet leiden tot grensoverschrijnend geintegreerd ruimtelijk ordeningsbeleid, samen met de buurlanden.

Dat geldt niet alleen de grensstreken. Ook voor nationale sectoren en projecten met een aanzienlijk ruimtelijk beslag (havens, luchthavens, vervoersassen, de waterhuishouding, natuurgebieden) zal het ruimtelijk beleid moeten worden afgestemd op dat van het nabije Europa. We hoeven niet alles zelf te doen, kunnen specialiseren en van elkaars grootschalige ruimtelijke investeringen profiteren.

Ten tweede: het westen is niet alles. Hoezeer ook de concentratie van activiteiten is gaan functioneren als een motor in onze economie, hoe groot de meerwaarde van de wederzijdse nabijheid van economische activiteiten ook moge zijn, de motor dreigt vast te lopen. Nieuwe investeringen in de infrastructuur om dat te voorkomen helpen slechts ten dele, omdat zij tegelijkertijd ook op andere delen van het land een aanzuigende werking uitoefenen. Daarom is het niet alleen in het belang van het noorden of het zuiden, maar ook van de Randstad zelf, dat de economische en de ruimtelijke ontwikkeling buiten het westen een groter gewicht krijgt. Dat de problemen in de Randstad groter zijn dan elders is geen doorslaggevend argument om bijvoorbeeld de Zuiderzeespoorlijn uit te stellen.

Ten derde: de mainports mogen versterkt worden, maar niet zodanig dat andere ruimtelijke functies worden weggedrukt. Goed overwogen dient te worden welke elementen van de mainports essentieel zijn zowel voor de directe werkgelegenheid als voor het in stand houden van een zodanige schaal van de verbindingen met de rest van de wereld dat onze economie goed kan functioneren. De rest van het massale transito-verkeer en vervoer van mensen en goederen is minder belangrijk en hoeft niet onbelemmerd te groeien.

Ten vierde: economische activiteiten moeten zoveel mogelijk worden gebundeld in corridors. Waarom? Omdat aldus de schaarse bereikbaarheid maximaal wordt benut, de ruimtedruk wordt geleid en waardevolle open ruimtes worden gespaard. Die corridors zullen in goed overleg moeten worden aangewezen. Het moeten er niet te veel zijn want er moet ruimte tussen blijven. Hun keuze moet aansluiten bij bestaande langgestrekte verstedelijkte gebieden (bijvoorbeeld van de Randstad naar het Ruhrgebied en naar Antwerpen/Brussel). Zij zullen hoogwaardig moeten worden ingericht, met ruimte voor wonen en werken en met groene uitloopgebieden; geen lintbebouwing, doch een afwisseling van economische activiteiten en groene ruimten.

Ten vijfde: de stedelijke ontwikkeling zal, na de afronding van de huidige Vinex-locaties, toe zijn aan een heroverweging. Meer maatwerk en diversiteit. Meer vernieuwing van na-oorlogse woonwijken. Meer binnenstedelijke verdichting, bijvoorbeeld bij de centrale stations en voorstadhaltes. Een snelle ontwikkeling van een goed samenhangend groot-stedelijk openbaar vervoersnetwerk, bijvoorbeeld binnen stedelijke cirkels met een straal van 25 kilometer, zodat daarbinnen alle stedelijke functies kunnen worden geintegreerd, zonder overlappingen noch leemtes. En in de volgende ronde niet mikken op een verdere uitbreiding van steden met nieuwe woonwijken, doch op de aanleg van een nieuwe, volledige stad bijvoorbeeld in het gebied dat vrij kan komen na de verplaatsing van Schiphol.

Ten zesde: Handhaving van restrictief beleid met betrekking tot woningbouw en aanleg van bedrijfslocaties buiten de grotere steden, doch meer met strikte contouren waarbuiten niet gebouwd mag worden, dan met woningcontingenten.

Dit laatste instrument is immers minder nodig wanneer door een goed beleid voor de steden niet gevreesd hoeft te worden dat zij leeglopen.

Ten zevende: behoud van de grondgebonden landbouw met nadruk op het agrarisch natuurbeheer en op biologische landbouw. Daarnaast een versterking van andere vitale functies van het platteland, zoals de recreatie.

Ten slotte drie stappen op het grensgebied van milieu en ruimtelijke ordening. Investeren in de ecologische hoofdstructuur van ons land, goed aaneengesloten. Daarbij hoort ook het zo lang mogelijk beschermen van het enige oer-natuurgebied dat ons nog rest: de Waddenzee.

Een grondige herziening van de waterhuishouding. Het water moet meer ruimte krijgen, en dat betekent dat het ruimtegebrek daaraan ondergeschikt wordt gemaakt. De bescherming van de kwaliteit van de zoetwatervoorraden, het tegengaan van verdroging het voorkomen en bestrijden van wateroverlast en het aanpakken van de veiligheid vragen om een integrale aanpak.

Ontkoppeling tussen economische groei en milieudruk. Die opgave geldt voor de economische politiek, het milieubeleid zelf, en het beleid met betrekking tot energie en technologie. Zij komen alle tezamen in de ruimtelijke ordening: keuze van locaties van wonen en werken en aangaande de mobiliteit. De besparing van energie, de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen, en de bevordering van de biodiversiteit zijn milieudoeleinden die door een goede ruimtelijke ordening kunnen worden bevorderd.

Tien stappen om bij te sturen, in het licht van nieuwe ontwikkelingen, niet slechts volgend, maar actief. Dat betekent niet noodzakelijkerwijs meer regelgeving, meer restricties, minder vrijheid.

Wat mij voor ogen staat is een ruimtelijke ordening die niet tegen de stroom ingaat, maar meebeweegt met de stromen van water goederen en mensen, en deze begeleidt, opdat er geen overmatig gedrang ontstaat. Nederland heeft het karakter van een delta, waar de stromen ook vanuit het buitenland samenvloeien. In die delta is het een drukte van belang. Dat mag zo blijven. Als er maar niet het gevoel ontstaat dat het er overal even vol is. Dat vereist dat de ordening binnen de delta niet zelf als verstikkend wordt ervaren, maar aansluit bij maatschappelijke krachten op zoek naar evenwicht en verscheidenheid.

    • Ruimtelijke Ordening
    • Drs J.P. Pronk