Een ontmoetingsplaats voor high-tech enthousiasten

Op DEAF98, het festival voor elektronische kunst dat dezer dagen plaatsvindt, wordt geexperimenteerd met virtuele en fysieke ruimtes.

Wat doen mensen uit Europa en Japan die elkaar niet lijfelijk ontmoeten, maar verbonden door videocamera's en microfoons in een driedimensionale ruimte in cyberspace zweven, om de omgeving te verkennen? Het gedrag van mensen die zitten opgesloten in hun 3D-wereld vindt de Japanse kunstenaar en hoogleraar Masaki Fujihata interessanter dan de achterliggende technologie. Zijn installatie Nuzzle Afar Distant Affairs and Greeting, een reusachtige, felgekleurde virtuele omgeving met diverse kamers, is op het tweejaarlijkse Dutch Electronic Art Festival via Internet verbonden met de universiteiten van Keio en Tokyo en het centrum voor mediakunst in Karlsruhe.

Iedere bezoeker laat bij het navigeren sporen na, die als gekleurde lijnen op het scherm verschijnen en minuten lang in beeld blijven. Als je erop klikt, wordt je naar de andere aanwezigen in de ruimte geleid. Wie onverhoeds met een andere bezoeker in aanraking komt, wordt naar een nieuwe ruimte geflitst. Er moet samen naar een uitweg worden gezocht. Passief gedrag wordt niet beloond in Nuzzle Afar. Mensen die niet met elkaar communiceren via de trackbal (een kogelvormige computermuis) en de camera komen niet ver. Pas als de gevangen deelnemers naar elkaar toe bewegen en hun avatars (digitale representaties) over elkaar schuiven, schieten ze met een flits naar een van de hoofdkamers in Nuzzle Afar.

De sfeer op DEAF98, dat bestaat uit verschillende tentoonstellingen, workshops en een tweedaags symposium over de kunst van het ongeluk in Museum Boijmans Van Beuningen, is gemoedelijk. Veel festivalgangers, overwegend twintigers en jonge dertigers met een voorkeur voor high-tech en reizen, begroeten elkaar enthousiast.

Ze kennen elkaar van andere media kunst-evenementen in Duitsland en Oostenrijk. Digitale cameraatjes en laptops behoren tot hun standaardreisuitrusting.

Toch is DEAF98, georganiseerd door het Rotterdamse centrum voor nieuwe media en technologie V2, niet alleen voor de cyber jetset. Nieuwe media-kunst is geen marginaal avantgardistisch verschijnsel meer. De laagdrempelige middagbijeenkomsten waar kunstenaars hun Internetprojecten presenteren, zitten vol schoolklassen. Het festival, dat tot eind november duurt, zal naar verwachting 10.000 bezoekers trekken. In 1996 werd DEAF door ruim 7.500 mensen bezocht.

Het gaat bij DEAF98 niet uitsluitend om virtuele kunst. De Amerikaanse mediakunstenaar Perry Hoberman schuift met meubels en computerschermen om te laten zien dat virtualiteit een uiterst vaag concept is. Zijn installatie Systems Maintenance ironiseert de veelgebruikte term virtuele wereld. Op een groot projectiescherm worden drie uitvoeringen van een kamer met felgekleurde tafels en stoelen geprojecteerd. Het geprojecteerde beeld wordt samengesteld uit de echte kamer met meubilair, een maquette van deze kamer en een digitale versie op een draaibare computermonitor.

Het onvoorspelbare gedrag van de bezoekers, die met de meubels schuiven, en de techniek vormen samen een chaotische vierde dimensie. Wie via het scherm in de kamer navigeert en een meubelstuk wil aanwijzen of verplaatsen, grijpt er nogal eens naast omdat door de gelaagdheid van het beeld volkomen onduidelijk is welke stoel nu virtueel en welke fysiek te verplaatsen is.

De Amerikaanse architectuur-kunstenaar Mark Bain gebruikt het hele V2-gebouw voor zijn geluidsproject Live Room. Op verwarmingsbuizen en andere onopvallende plekken heeft hij kleine apparaatjes gemonteerd die beweging omzetten in trilling en geluid.

De oppervlaktes van de muren en de plafonds fungeren als reusachtige speakers. Het geluid wordt steeds luider naarmate men hoger in het gebouw komt. Op de bovenste verdieping is het een oorverdovend kabaal.

Tijdens de drukbezochte bijeenkomst `Open Territories' geeft Bain een overzicht van zijn werk. Hij is gefascineerd door de interactie tussen mensen en gebouwen. Voor het stadhuis in Seattle, dat in een veertig verdiepingen tellend gebouw zetelt, maakte Bain een elektriciteitsgenerator. Het apparaat produceert elektriciteit door het heen en weer zwiepen van het gebouw. Het project werd gefinancierd met een subsidie van het stedelijk elektriciteitsbedrijf dat op grond van een wettelijke regeling 1 procent van de winst aan kunst moet spenderen.

Veel van deze publieke kunst wordt na enige tijd vernietigd. Met zijn generator-installatie zal dat niet zo snel gebeuren vertelt Bain, terwijl hij zijn lachen nauwelijks kan inhouden. Het kunstwerk bevat namelijk een paar kilo lood, een zwaar giftig metaal. “Als ze het willen afbreken, worden ze ziek.'