De tien minuten van Marinus van der Lubbe

Zondebok? Idioot? Of was Van der Lubbe, de brandstichter van de Rijksdag een losgeslagen proleet met grote geldingsdrang? Hoe met leugens een nieuwe waarheid wordt gecreeerd.

HET IS EEN MYSTERIE, de brand van Berlijn/ Er is iets bijzonders aan wat zal dat zijn?' De oude vrouw zingt uit het hoofd, in de documentaire van Joost Seelen, Water en vuur, een roerige geschiedenis rond Marinus van der Lubbe (1909-1934). Het lied `De brand van Berlijn' werd in Nederland door armen op straat verkocht in de maanden na 27 februari 1933. Die dag, rond kwart over negen 's avonds werd de Nederlander Marinus van der Lubbe gearresteerd in het Duitse Rijksdaggebouw dat hij in brand had gestoken. Het lied klinkt niet voor niets aan het begin van Water en vuur: vijfenzestig jaar later is de brand nog steeds een mysterie, de partijen blijven hopeloos verdeeld over de ware toedracht.

De kwestie die elk portret van Van der Lubbe domineert, komt in de documentaire meteen al even aan bod: stak hij de Rijksdag alleen in brand of niet? “Ze hebben hem er in gebracht', zeggen enkele van de oude vrienden en familieleden die hun herinneringen aan Van der Lubbe ophalen. `Ze', dat zijn de nazi's die met de brand zelf een gelegenheid gecreeerd zouden hebben om de noodtoestand af te kondigen en een vermeende `communistische opstand' te onderdrukken: diezelfde nacht nog werden duizenden communisten en socialisten opgepakt. Deze complottheorie is nog steeds de meest gangbare voor mensen die in de absolute doortraptheid van de nazi's of in de onschuld van Van der Lubbe geloven. De Duitse historicus Alexander Bahar noemt hem in de film `ein naives, armes, verirrtes Individuum, fur fremde Zwecke missbraucht'.

“Hij moet het alleen gedaan hebben, dat is zonder meer een feit, om een daad te stellen tegen het opkomende fascisme', zegt de zoon van Simon Harteveld, een van de kameraden uit de Leidse communistische kringen waar Van der Lubbe deel van uitmaakte.

Dat is ook de mening van de Duitse historicus Fritz Tobias, en van de oude vriend Piet van Albada. Van Albada, die onlangs overleed, onthult in de documentaire dat hij Van der Lubbe in een gesprek wellicht op het idee heeft gebracht om brand te stichten in de Rijksdag.

Marinus van der Lubbe werkte als metselaar in Leiden, tot hij kalk in zijn ogen kreeg en half blind raakte. Hij zocht zijn bestemming in de politiek, werd lid van de communistische partij en organiseerde demonstraties, waarbij hij enkele malen werd opgepakt door de politie. Van der Lubbe wilde een voetreis naar China maken, maar kwam vast te zitten bij de Servisch-Roemeense grens. Ook probeerde hij bij Calais het Kanaal over te zwemmen om een geldprijs in de wacht te slepen. Van der Lubbes laatste reis voerde hem in 1933 naar Berlijn, hij had gehoord dat daar een revolutie aan de gang was.

Water en vuur richt zich niet op de grote geschiedenis maar op de mens Van der Lubbe en de deels mythische verhalen die over hem in omloop zijn. Iemand weet zich zelfs als een `vaststaand feit' te herinneren dat Van der Lubbe een keer hoog boven de straat van de ene dakgoot naar de andere sprong. Zo komt tegenover het beeld van de verwarde jongen met de hangende kop een ander wensbeeld te staan, dat van de superheld, de strijder tegen sociaal onrecht.

De documentaire geeft gelukkig ook enkele aanwijzingen voor een minder eendimensionaal beeld. Zijn nicht, die Seelen in Duitsland opspoorde en die voor het eerst werd geinterviewd, zegt: “Hij wilde iets doen waar de hele wereld over sprak.'

Was Van der Lubbe dan misschien, overdreven gesteld, een halfblinde, uit de maatschappij gevallen proleet met politieke ambities, iemand die van zich wilde doen spreken, en het liefst zo snel mogelijk? Liet hij zich daarom zonder verzet aanhouden in het Rijksdaggebouw? Als je beroemd wil worden met een grote daad, moet je zorgen dat het uitkomt.

(Van der Lubbe dacht bovendien dat hem maar een paar maanden gevangenisstraf boven het hoofd hing.)

In zoverre Van der Lubbe trots was op zijn daad en dorstte naar roem, was zijn tragiek niet zozeer dat zijn daad een averechts effect had, of dat hij door de valbijl om het leven kwam, maar dat ze hem niet geloofden toen hij keer op keer zei: “Ik heb het alleen gedaan!'

“Ik denk niet dat hij het alleen maar gedaan heeft om beroemd te worden', zegt de Bredase regisseur Joost Seelen. “Er zijn natuurlijk meer motieven in het spel geweest. Van der Lubbe had ook zijn beperkingen, door zijn opvoeding en achtergrond. Hij geloofde wel heel sterk in zichzelf, in een tijd van massabewegingen. Dat wekt mijn bewondering. Hij was lid van de communistische partij, maar liet zich niet de wet voorschrijven: hij probeerde naar de Sovjet-Unie te lopen om zelf te gaan kijken hoe de arbeiders daar leefden.'

Een ooggetuige, die Van der Lubbe met een fakkel in de hand door de Rijksdag heeft zien rennen, zegt in de film: “Tatsachen sind heilig, Kommentare sind frei.' Als een ding blijkt uit de film, is het wel dat commentaren en feiten in de zaak Van der Lubbe onontwarbaar verwikkeld zijn. Over bijna ieder `feit' spreken de vrienden, de deskundigen en de fragmenten van de speelfilms die getoond worden, elkaar tegen. Over de vraag of hij zich na een opstootje lijdzaam mee liet voeren door de politie of juist niet over hoeveel brandstof er precies nodig was om de Rijksdag in brand te steken, over of hij tijdens het proces kalmerende middelen kreeg toegediend en zelfs over hoe hij precies onthoofd werd.

De documentaire gaat niet over wat de echte, ware geschiedenis is, maar over hoe geschiedenis wordt gemaakt.

“De documentaire is een ode aan het mysterie', zegt Seelen. “Omdat het een mysterie is, spreken we nog steeds over Van der Lubbe. Water en vuur laat juist ruimte aan de verbeelding, omdat ik veel oningevuld laat kan de toeschouwer zelf zijn eigen Van der Lubbe projecteren.'

De beweringen van de historici die zich over de processtukken uit het Oost-Duitse Bundesarchiv bogen relativeert Seelen door er op te wijzen dat ze zowel door de handen van de nazi's als van de communisten zijn gegaan, en pas na de val van de Muur ter inzage kwamen.

In Water en vuur komen fragmenten voor van een aantal speelfilms over Van der Lubbe, zoals Lehre der Geschichte uit de jaren vijftig, Der Teufelskreis (1956, en de tv-versie van 1980) en Die Mahnung (1980). In die films komt Van der Lubbe er maar bekaaid vanaf in het ergste geval als een idioot die tijdens het proces in hysterisch huilen uitbarst. Seelen lijkt met zijn documentaire te suggereren dat het onderscheid tussen de persoonlijke herinneringen, de beweringen van de historici en de fictionele films niet zo groot is. “De herinnering is fictie, is geconstrueerd', zegt hij. “Het beeld dat men van Van der Lubbe heeft, is sterk gekleurd. Die verhalen zeggen wel veel over de sfeer in die tijd, ook al zijn ze misschien niet helemaal waar. Zo heb ik geprobeerd met leugens een nieuwe waarheid te creeren.'

Op twee manieren probeert Seelen Van der Lubbe tot leven te brengen. Fragmenten uit het dagboek dat hij tijdens zijn reizen bijhield worden voorgelezen door acteur Fedja van Huet. En hij gebruikt de vijfduizend wasplaten die tijdens het vier maanden durende strafproces in Leipzig werden opgenomen. Tot voor kort ontkende het Stadshistorisch museum in Leipzig dat het dit materiaal bezat.

We horen de boze stem van Van der Lubbe die aandringt op een snelle uitspraak van de rechter. Hij was het zat.

En dan zegt hij over de Rijksdagbrand de meest onomstotelijk ware woorden die in de documentaire te horen zijn: “Dat is een daad van tien minuten geweest, (...) dat heb niets te beduiden, alleen, maar datgene wat daarna gekomen is, dat heb alles te beduiden. Dat kan ene persoon niet omvatten.'