De nieuwe kleur van het `doe-departement'; HET BOLWERK -VERKEER EN WATERSTAAT

De politieke top komt uit het onderwijs, de ambtelijke leiding wisselt stuivertje en het apparaat lijkt in de ban van nieuw groen denken. Verkeer en Waterstaat plaatst niet langer haltepaaltjes.

Het niet-ambtelijke deel van Nederland wil zich nog wel eens een grapje permitteren over de vermeende geringe werklust en daadkracht bij staatsdienaren. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft echter geen last van zo'n imago. De ambtenaren daar staan algemeen bekend als doeners. “Je proeft meteen dat het een doe-ministerie is, een ministerie van concrete zaken', zegt het VVD-Kamerlid Nellie Verbugt.

Van opsmuk houden ze niet aan de Haagse Plesmanweg, meer van degelijk vakwerk al schrikken ze soms niet terug voor experimenten met gedurfde nieuwe technieken, varierend van boortunnels tot automatische voertuiggeleiding. “Je vindt hier meestal geen frivole types', bevestigt Ralph Pans, de in april aangetreden secretaris-generaal. Het hoofdgebouw in donkere baksteen en zijn nieuwere zijvleugels ademen een hierbij passende soberheid.

Toch heeft de solide reputatie van het ministerie enige deuken opgelopen. De presentatie van de infrastructuurplannen voor de komende jaren verliep dit keer minder ordelijk dan gewoonlijk. Toen minister Netelenbos de plannen onthulde, waarin de nadruk lag op openbaar-vervoersprojecten in de Randstad, stak er een storm van protest op onder regionale bestuurders die zich bedrogen voelden. Ze beriepen zich op tal van toezeggingen en convenanten.

Het ministerie bleek niet dadelijk een antwoord paraat te hebben en moest zelfs de landsadvocaat inschakelen om de juridische status van bepaalde afspraken te onderzoeken. “Het is kennelijk een janboel bij het ministerie', mopperde het PvdA-Kamerlid Peter van Heemst. Pans vindt die reactie geheel misplaatst. Volgens hem gaat het maar om een handjevol projecten, waarvan onzeker is of de overheid er al dan niet aan is gebonden.

De commotie rond de infrastructuurplannen volgt op enkele maanden van ingrijpende personele wijzigingen. Om te beginnen kwam er in de persoon van Netelenbos een nieuwe, op dit terrein geheel onervaren minister. Met een onstuitbare ijver probeert ze haar kennisachterstand in te halen. Dat doet ze snel zeggen haar ambtenaren, al wordt ze soms wat overmoedig, flapt er dingen uit en werkt zich zo in de nesten.

De minister wordt bijgestaan door een nieuwe staatssecretaris, Monique de Vries, die net als haar chef tot voor kort door het leven ging als onderwijsspecialist. Daar bleef het niet bij. Netelenbos was amper een paar maanden in functie of ze hutselde haar ambtelijke top flink door elkaar.

Drie topambtenaren, onder wie de ervaren Jan-Willem Weck van de Rijksluchtvaartdienst en de sterk op marktwerking gerichte Wubbo de Boer van Personenvervoer, wisselden stuivertje. Voeg daar nog bij de in 1997 gekomen directeur voor strategie en coordinatie, Hans Leeflang, en Pans zelf, en het is duidelijk dat de top van het departement grondig is vernieuwd.

Hoewel er tot dusverre geen drastische wijzigingen zijn te bespeuren in het beleid, lijkt wel zeker dat er meer aandacht dan voorheen zal worden geschonken aan de maatschappelijke gevolgen van de projecten. Vooral de consequenties voor het milieu zullen nauwgezet in de gaten worden gehouden. Asfalt en beton zijn niet langer per se de belangrijkste ingredienten van hun projecten. Op het departement wordt met enige zelfspot geconstateerd dat V&W zich tegenwoordig vaker bezighoudt met ooievaars, dassentunnels en vistrappen.

Dat is nog een betrekkelijk nieuw gedachtegoed voor het ministerie. Lange tijd gingen de ingenieurs, als waren zij heuse socialisten, uit van een maakbare samenleving.

Zij bepaalden met hun wegen, dammen, bruggen en dijken hoe Nederland er uit zag en hoe de inwoners met elkaar in verbinding konden blijven. Hun bemoeienis ging tot in de kleinste details. “Ik herinner me nog dat ik eens bij Nijmegen zag hoe Rijkswaterstaat in de weer was met het verslepen van paaltjes voor bushaltes', zegt H.B. Roos, hoogleraar logistiek management aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam. “Met dat soort gemillimeter zou Rijkswaterstaat zich niet bezig moeten houden. Die zou toch vooral op de grote lijnen moeten letten.'

Het ministerie is op allerlei niveaus bezig met het voorbereiden van beleid en met de uitvoering ervan. Soms is het ook nog belast met de controle op de resultaten. Ook Pans geeft toe dat het dragen van zoveel petten tegelijkertijd wel eens voor problemen zorgt. “Het vergt veel stuurmanskunst om een goed evenwicht tussen uitvoering en beleid te vinden, al gaat het meestal goed', zegt hij.

Bij Rijkswaterstaat, verreweg het grootste en belangrijkste directoraat van het ministerie, is de laatste jaren veel veranderd. “De juristen en de economen hebben het van de ingenieurs gewonnen bij Rijkswaterstaat', stelt hoogleraar Roos. Op zijn tweehonderdste verjaardag, dit jaar, is Rijkswaterstaat meer ingebed geraakt in de samenleving.

Dat er op het departement een andere wind waait, bleek eind augustus ook uit een vertrouwelijk beleidsdocument. Leeflang en drie topambtenaren van het departement stelden daarin dat de greep van de overheid op de maatschappelijke processen juist heel beperkt is. In wat zij omschreven als een `missie-statement' stelden ze dat het beleid er voortaan op moest zijn gericht een maximale bijdrage te leveren aan duurzame economische ontwikkeling.

Bovendien moesten de effecten van de groeiende mobiliteit aanvaardbaar blijven voor milieu, veiligheid en maatschappelijke verdeling. Een van de middelen om de mobiliteit in de hand te houden is het prijsmechanisme, dat bij voorbeeld via het rekeningrijden een kans zal krijgen.

Toch is het nog allerminst zo dat het hele ministerie doordesemd is van deze geest. Velen blijven in de eerste plaats geinteresseerd in het vinden van goede oplossingen voor technische problemen, vanouds de grote kracht van het departement en Rijkswaterstaat. “Ze waren altijd een staat in de staat', zegt een buitenstaander uit de milieuhoek die veel met het departement te maken heeft. “Dan is natuurlijk niet te verwachten dat diezelfde mensen plotseling voorgaan met de toepassing van het Groene Poldermodel.'

Een nadeel van de grote betrokkenheid van de rest van de samenleving bij grote projecten is dat die daardoor nogal eens vertraagd worden. De afronding van grote projecten vergt tegenwoordig al gauw zo'n vijftien jaar. Soms duiken op het laatste nippertje toch weer nieuwe obstakels op bij de uitvoering van zulke projecten, waardoor men het werk van jaren weer helemaal opnieuw moet doen. Is dat niet om gek te worden voor de ambtenaren, die er zo hard aan hebben gewerkt? Pans: “Ik heb niet de indruk dat men er erg onder gebukt gaat. De mensen hier zijn eraan gewend. Tweehonderd jaar Waterstaat is immers ook tweehonderd jaar jaar omgaan met procedures.'

Dit is het achtste deel van een reeks portretten van ministeries. Eerdere delen verschenen op 29 september, 6, 8, 14 en 15 oktober, 4 en 17 november.