Bernard Frize verliefd op eigen virtuositeit

De Franse kunstenaar Bernard Frize is een virtuoos schilder en dat is bepaald geen pretje. Want wat bereik je als hedendaags schilder nog met technische meesterschap? Alleen het woord al: `virtuositeit' roept associaties op met Michelangelo die, liggend op een steiger, het plafond van de Sixtijnse kapel schildert, of met Leonardo da Vinci, die 's ochtends de fiets bedenkt, in de middag een vliegtuig ontwerpt en in de avonduren de Mona Lisa maakt.

Als een schilder tegenwoordig virtuoos wordt genoemd, betekent dat meestal dat zijn werk of heel expressionistisch is (brede vegen en zwierige halen worden dan met een surplus aan techniek verward) of dat het geschilderde `net echt' is - in beide gevallen beschouwen de liefhebbers van hedendaagse kunst het als een diskwalificatie.

Die desinteresse in techniek is vermoedelijk dan ook de reden waarom de veelkleurige, abstracte doeken van Frize (Parijs, 1949) relatief laat buiten zijn geboorteland bekend zijn geworden. Maar dat heeft vast ook te maken met een hernieuwde belangstelling voor techniek, die vooral in de fotografie steeds duidelijker zichtbaar wordt. Technisch uitmuntende fotografen als Thomas Ruff, Rineke Dijkstra of Andreas Gursky hebben succes, juist omdat hun perfectie een werkelijkheid zichtbaar maakt die bij minder begaafde collega's doodgewoon en alledaags blijft.

Voor de schilderkunst van Frize geldt in zekere zin hetzelfde: zijn abstracte, veelkleurige schilderijen zijn technisch zo goed dat ze de discussie over het `einde' of de `onmacht' van de schilderkunst overbodig lijken te maken.

Dat is natuurlijk heel wat, maar wie over Frize's tentoonstelling in De Pont in Tilburg loopt vraagt zich al snel af of zijn doeken nog meer dan louter een viering van de schilderkunst willen zijn.

Daar lijkt het op het eerste gezicht niet op, want als Frize's werk al een onderwerp heeft dan is het kleurgebruik,of verf. Zo werkt hij al jaren aan een serie doeken waaraan geen kwast meer te pas kom, Suite Segond SF N5 bijvoorbeeld, dat bestaat uit kleine rondjes die uit felgekleurd plastic lijken gestansd. In werkelijkheid zijn het vellen hard geworden verf die Frize uit verfpotten vist die hij een tijdje open heeft laten staan en vervolgens op doek over elkaar plakt.

Het resultaat is een pandemonium van verfcirkels, tientallen rondjes die als platgeslagen balonnen over- en naast elkaar liggen. Ook in de rest van zijn oeuvre vertoont Frize een voorkeur voor dergelijke kleurige abstracties: veelkleurige ruitpatronen schildert hij, of kronkelende, strak tegen elkaar gelegde lijnen die als slangen over de witte achtergrond kruipen.

Frize's werk doet in zijn abstracte kleurenliefde soms denken aan het abstracte werk van Gerhard Richter, maar tegen de Duitse meester legt hij het ruimschoots af. Richter is zo goed omdat zijn schilderijen eruit zien als oer-schilderijen, waarin de verf op elkaar is gestapeld als in geologische formaties waardoor af en toe een onderliggende laag zichtbaar wordt. Frize is daarentegen zo tevreden met zijn eigen virtuositeit dat hij zich verliest in vrijblijvende schonmalerei, alsof hij verliefd is op zijn eigen techniek.

De laatste jaren is er echter iets intrigerends gebeurd in Frize's oeuvre. Nog steeds maakt hij voornamelijk abstracte kleurexplosies, maar die begint hij in toenemende mate achter een dikke, doorzichtige laag hars te stoppen. Dat heeft een onverwacht effect: door de harslaag is de kwaststreek of de techniek niet meer zichtbaar.

Je weet dat er verf is, je weet ook dat de kunstenaar die op onnavolgbare wijze heeft aangebracht, maar je kunt het zelf met geen mogelijkheid meer vaststellen. Daardoor beginnen deze werken, Frize's beste, vreemd genoeg op foto's te lijken - foto's van voorbeeldige schilderijen. Technisch is dat vermoedelijk het hoogste wat een schilder kan bereiken, maar Frize plaatst zijn toeschouwer ondertussen in de positie van een kat, die moet kronkelen en draaiend rond een vuilnisbak vol lekkere hapjes. Dat is even spannend maar de gedachte dat het de schilder zelf is die pontificaal op het deksel is gaan zitten laat je uiteindelijk toch wat narrig achter.