Balanceren op de rand van glans en drab; Grote schilderijen van Klaas Kloosterboer

Een reusachtige drabbig-bruine cirkel zweeft onbestemd in de rechterbovenhoek van het witte doek (170 x 150 centimeter). In het midden is een kleine witte cirkel opengelaten. Uit het bruin druipen wat morsige verfslierten die vreemd genoeg diep donkerroze zijn. Nu zien we dat er veel van dat donkerroze in het bruin zit. Wanneer het oog het oppervlak aftast wordt steeds meer kleur zichtbaar, in verschillende schakeringen van diepbruin naar paarsbruin via geel naar groen. Het is op het randje.

Zou de schilder nog iets verder zijn gegaan met smeren dan was de kleur dichtgelopen; nu brengen de verschillende lagen de verf juist tot zingen. De drab gaat gloeien: prachtig hoe gelaagd, hoe diep, hoe glanzend kleur kan zijn. De kwaststreken bewegen zich in een stralenkrans van binnen naar buiten.

Klaas Koosterboer (1959) gaf zijn expositie bij galerie Van Gelder de titel King Size mee. Dit slaat naar ik aanneem op de grote formaten, sommige doeken meten maar liefst 200 x 260 centimeter. Maar het is ook het lef van King Size dat uit dit werk spreekt: deze stugge weerbarstige schilderijen met abstracte vormen in veelal afstotende kleuren zijn brutaal en zeer fysiek geschilderd, en uiteindelijk hebben ze een verleidelijke uitwerking. Een grote diepblauwe en kleine oranjerode cirkel op een slordig geveegde ondergrond van een groenig grijsblauw, met weer die witte cirkels in het midden, staren je als irissen met lege pupillen onbewogen aan. Witte concentrische cirkels draaien kringen in een donker veld van dicht grijsgroenbruin. Daglicht is belangrijk voor het bekijken van dit werk, want alleen dan komt de textuur tot leven.

Wat is hier het onderwerp? Dumb Painting, zo benoemde Kloosterboer zijn werk ooit met een verademend gevoel van zelfrelativering: domme stomme, zwijgende schilderkunst.

En kan dit nog wel, zo'n formalistisch georienteerde kunst die zich verhoudt tot een voorbij modernisme? Vervalt dit niet snel tot een leeg estheticisme? Dat gevaar is reeel, zoals een kleurencirkel op de tentoonstelling laat zien. Dit is een te gemakkelijke, te mooie staalkaart van kleuren. Ze zijn gedeeltelijk weer uitgeveegd zonder dat dit uitvegen werkt, zonder dat duidelijk wordt waarom.

Maar een modernistische schilderkunst kan nog wel degelijk. Kloosterboer laat zien dat het een vruchtbaarder weg is dan bijvoorbeeld de ego-documenten die momenteel als kunstwerken worden gepresenteerd, hijgerige navelstaarderij die zelden aan zichzelf ontstijgt en waar geen sprake is van verbeeldingskracht of metamorfose de tentoonstelling Life is a Bitch in De Appel is er het meest recente voorbeeld van. Zoals Paul Valery schreef: `Ons gevoelsleven blijft dankzij de transformatie tot kunstwerk bewaard'. En dat is wat in de beste werken van Kloosterboer gebeurt: er klinkt een gevoelsleven in door dat niet beperkt is tot hypersubjectieve, toevallige emoties, maar dat algemeen herkenbaar is.

De witte gaten spelen hierbij een belangrijke rol al duurt het even voor dit doordringt. In het centrum van de verf is steeds een leegte, hier is het doek onbeschilderd gelaten. Dergelijke gaten zijn de belangrijkste constante in het werk van Kloosterboer. Ze zijn het punt waarop de wereld waarin wij ons bevinden en de ruimte van het schilderij elkaar doordringen, er `lekt iets door van de ene ruimte in de andere', zoals de filosoof Richard Wollheim het zo mooi noemt in zijn boek Painting as an Art (1987).

Dergelijke gaten komen al tien jaar lang voor bij Kloosterboer, soms als stippen, soms letterlijk als gaten in het doek geknipt.

De schilder legt gelukkig ook de nodige zelfspot aan de dag hij is op de hoogte van de 20ste eeuwse kunstgeschiedenis. Dat laat hij zien in een multiple die hij enkele jaren geleden voor Van Gelder maakte. In een mooi uitgevoerde, met rode stof beklede, platte doos in de vorm van een boek, ligt, even ontgoochelend als ernstig, niet meer dan een cirkelvormig stuk wit linnen waarin ronde gaten zijn gestanst.

Het witte, onbeschilderde doek is, in de woorden van Kloosterboer, een utopische leegte. Het is een sneeuwvlakte waar je je stappen zet, je trekt een spoor, of je het nu wilt of niet. Je moet kiezen, en daarin schuilt een drama, een drama van het verlies van onbevangenheid en onschuld, en van vrijheid. Het bewustzijn van dit drama brengt twijfel met zich mee, en weerzin om sporen te trekken. Het is deze weerzin die het weerbarstige karakter van dit werk verklaart; en de twijfel die hier overal bespeurbaar is, de schroom die steeds overwonnen moet worden, maakt het schilderen van Kloosterboer betekenisvol.