`Meer aandacht prostitutie'

Korpschef Jan Wilzing van politie-regio IJsselland leidde de werkgroep die twee rapporten maakte over de bestrijding van mensenhandel in Nederland.

In het ene rapport wordt beschreven hoe politiekorpsen die handel nu aanpakken, in het andere staat een overzicht van het beleid tegen vrouwenhandel tot nu toe. En er worden nieuwe aanbevelingen gedaan. Want zoals nu loopt het niet.

Uit de vertrouwelijke rapporten blijkt dat de politiekorpsen “geen eenduidig' beleid voeren, ze schieten tekort in de verwerking en uitwisseling van informatie over de handel in vrouwen en ze weten te weinig over de omvang en achtergrond ervan. Daardoor kan die handel in Nederland “niet effectief' worden bestreden.

Volgens korpschef J. Wilzing zijn de rapporten “positief kritisch' bedoeld. Er is, zegt hij, “zeker wel wat te verbeteren', maar deze rapporten zijn “nieuwe aanzetten voor eenduidig beleid'.

Dat die eenduidigheid nu ontbreekt, is volgens de korpschef het gevolg van de reorganisatie bij de politie: “Wij zijn nog aan het fuseren. De politie is van het korps rijkspolitie en 148 gemeente-korpsen naar 25 grote gegaan en 1 landelijke. We moeten de informatie-huishouding op orde brengen. Daarnaast zijn de grenzen nu open, het probleem van mensenhandel zichtbaar. En de opheffing van het bordeelverbod zat eraan te komen, dat gaf onzekerheid.'

Dat er in de ene politie-regio meer aandacht is voor vrouwenhandel dan in de andere, heeft - zegt Wilzing - vooral te maken met ervaring die de korpsen hebben met prostitutie in hun gebied. In Amsterdam is die groter, en de inzet daarom professioneler, dan in bijvoorbeeld Flevoland en Drenthe.

Wilzing benadrukt dat er ook dingen goed gaan. Het aantal opsporingsonderzoeken is het laatste jaar sterk gestegen. “En ik zie de aandacht voor mensenhandel bij de korpsen groeien.'

In de rapporten die nu naar de ministers gaan, staat dat de aanpak zich veel meer zou moeten richten op bordeelhouders, de `afnemers'van de handelaren en minder, zoals nu vaak gebeurt, op de vrouwenhandelaren zelf. Omdat de plek van een vervolgde handelaar meestal onmiddellijk wordt ingenomen door een andere. Maar volgens Wilzing is die opmerking niet “kritisch' bedoeld, het is een “advies voor de toekomst'.

De korpschef van IJsselland praat liever over wat hij “enorm positief' vindt aan de rapporten. Die zijn - onder zijn verantwoordelijkheid - vooral door de CRI (divisie Centrale Recherche Informatie), tot stand gebracht. “Dit is voortreffelijke research van de CRI, ze vervullen hiermee precies en naar behoren hun taak in informatie-verzameling en expertise-opbouw.'

Maar hadden ze die taak dan niet eerder moeten vervullen, waardoor de politie-korpsen dat nu ontbrekende “eenduidige' beleid konden volgen met door de CRI verzamelde gegevens?

Nee, vindt Jan Wilzing, die zelf tot begin 1994 directeur was van de CRI. “Als de korpsen die informatie niet doorspelen, kan de CRI niks doen. De korpsen zijn meer bezig met opsporen dan met gegevens verzamelen en doorgeven. Dat snap ik wel, dat is de `doe houding' van de korpsen. Maar de kritiek in de rapporten moeten de korpsen zich aantrekken, niet alleen de CRI.'

Wilzing vond het daarom ook niet terecht dat de CRI op dit punt kort geleden zo zwaar werd gekritiseerd door de Algemene Rekenkamer. De tekortkomingen die werden vastgesteld in informatieverwerking lagen volgens hem net zo goed bij de korpsen in de regio`s.

Maar ook hier ziet Wilzing een “positieve ontwikkeling'. In een pilotproject zullen de CRI en de korpsen `samen' gegevens over mensenhandel gaan verzamelen en gebruiken.