Kinshasa danst op zondag zijn wanhoop weg

Kinshasa, de hoofdstad van Congo, is een stervende stad. De rebellen in het oosten lijken niet te stuiten, de brandstof raakt op en de regering is ten prooi aan paranoia. De wanhopige kinois zoeken troost in de muziek.

“Mon general! Mon general!' Straatjongens en bedelaars verdringen zich rond de taxi als we stoppen bij een drukke kruising in Kinshasa. De gezette man voorin glimlacht gevleid en vraagt aan de chauffeur of hij niet wat Congolese francs heeft voor zijn bewonderaars. Die tast voor de vorm in zijn broekzak, maar voor hij een biljet heeft opgediept, geeft hij gas, want de weg is vrij.

`De generaal' buigt zich naar de achterbank en zegt, kennelijk genietend van de belangstelling: “Ik ben weer thuis.'

Mijn reisgenoot draagt geen uniform met sterren en hij is evenmin officier in de Congolese strijdkrachten. Zijn kroeshaar is geblondeerd, zijn imposante lijf is gehuld in een blauw fluwelen broek met vest en om zijn polsen en vingers hangt een paar ons goud. Op het vliegveld van de Angolese hoofdstad Luanda, waar we samen wachtten op de aansluitende vlucht naar Kinshasa en hij het aanbod monsterde in de verlaten winkeltjes met belastingvrije artikelen, stelde hij zich voor als “Le General Defao'.

“Ah, u bent zanger', zei ik, want de naam klonk bekend. “Een groot zanger', corrigeerde hij, “in de kunst, net als in het leger, zijn er rangen. Ik ben de beste, dus daarom noemt men mij generaal.'

Defao beklemtoont dat hij niet, zoals vele Congolese musici, zijn toevlucht heeft gezocht in Frankrijk of Zwitserland. “Oorlog of niet', zegt de generaal, “ik blijf zingen voor de Congolezen. Toen de rebellen in augustus de Inga-dam innamen en de stroomtoevoer naar Kinshasa afsneden, trad ik op met behulp van olielampen en een generator.' Maar ook in deze donkere tijden moet het geld rollen en Defao komt net terug uit Libreville, waar hij de verkiezingscampagne van de Gabonese president muzikale luister heeft bijgezet.

`De generaal' is een typische kinois: zelfbewust, op het arrogante af, vloeiend Frans Lingala en Kikongo, en een scherpe neus voor de heersende politieke windrichting. Als ik hem wijs op een bord met een reusachtig portret van “Mzee (oude, wijze man) Kabila: l'homme qu'il fallait', houdt Defao zich op de vlakte. De zanger praat over de president zonder politieke hartstocht. Dat is de man aan de macht, en een artiest die in Kinshasa wil blijven zingen, past zijn teksten aan.

Een `generaal' die musiceert met behulp van een noodaggregaat: de avondschemer in Kinshasa ten voeten uit. Zangers trekken dezer dagen grotere menigten dan politici en de kadogos (kindsoldaten) die sinds de opstand in het oosten de uitgedunde rangen van het regeringsleger hebben aangevuld, dansen liever op de muziek van Defao, Mbilia Bell en Tabu Ley dan naar het pijpen van hun commandanten. Die zondag is het Stade des Martyrs in de hoofdstad berstensvol meest jonge Congolezen, die hun wanhoop komen wegdansen. Want Kinshasa is een stervende stad.

Het frontnieuws komt van de BBC

vervolg van pagina 1

Terwijl het podium deint van dansende dames in fleurig katoen, voert een piepjonge kadogo, in de ene hand zijn kalasjnikov, in de andere zijn baret, een meeslepende versie uit van de ndombolo, de nieuwste dansrage. Een Congolees, die het tafereel geamuseerd gadeslaat, verzucht: “Als de oorlog een dansfeest was, had ons leger het oosten allang heroverd op de rebellen, zonder enige buitenlandse hulp.'

De bewoners van Kinshasa hebben heel wat weg te dansen. De hoofdstad aan de benedenloop van de Congo wordt, na ruim drie maanden militaire rebellie en buitenlandse interventies, geplaagd door brandstofgebrek stijgende prijzen, een stroom oncontroleerbare geruchten en toenemende paranoia in regeringskringen.

Kabila's belangrijkste bondgenoten, Angola en Zimbabwe, hebben hun hulptroepen samengetrokken in het olierijke Atlantische kustgebied (Angola), de diamantregio Kasai en de koperprovincie Katanga (Zimbabwe), kortom: in het `nuttige' Congo. In Kinshasa bivakkeert nog slechts een handjevol verbindingsofficieren; alleen het internationale vliegveld wordt bewaakt door Zimbabweanen.

In Kinshasa weet niemand wie er aan de macht is, welke functionaris verantwoordelijk is voor wat en wie er eigenlijk leiding geeft aan de resten van de FAC, de Congolese strijdkrachten. Departementen functioneren nauwelijks en Kabila's kabinet is sinds het uitbreken van de militaire opstand in het oosten, begin augustus, niet meer bijeen geweest. De president is vaker in Lubumbashi, de hoofdstad van zijn geboorteprovincie Katanga, dan in Kinshasa. Ministers roepen af en toe wat voor de televisie en hopen dan maar dat Kabila ermee instemt. Dat is riskant, want als Mzee niet tevreden is, wordt de bewindsman in kwestie door militairen opgehaald. Dat overkwam de laatste weken de ministers van Financien en Volksgezondheid.

In Kinshasa verschijnt nog steeds een tiental kranten en tijdschriften, varierend van Le Palmares, dat in barok Frans dagelijks het nog steeds niet verwezenlijkte `tegenoffensief' van de geallieerden aankondigt, tot het kritische La Tempete des Tropiques dat het nieuws van het front hoofdzakelijk lijkt te betrekken van `radios peripheriques'. Dat is het codewoord voor buitenlandse zenders als The Voice of America en de BBC. Begrijpelijk, want van de persconferenties van Kabila's spreekbuis, minister van Informatie Didier Mumengi, wordt niemand wijzer. Mumengi, die zich steevast laat vergezellen door twee soldaten met kalasjnikovs, blinkt vooral uit in heftige ontkenningen van terreinwinst voor de rebellen.

Buitenlandse zakenlui trekken geleidelijk weg uit Kinshasa en de bars in de sterrenhotels zijn 's avonds opvallend leeg. Het economische leven komt langzaam tot stilstand. De oliemaatschappijen die de binnenlandse distributie van brandstoffen verzorgen, mogen hun Congolese franken niet meer inwisselen voor steeds schaarsere dollars en kunnen dus niet meer inkopen op de wereldmarkt. Steeds meer pompstations sluiten de deuren. Kinshasa beschikt, naar verluidt, nog slechts over brandstofvoorraden voor twee weken. De staatsoliemaatschappij van Angola, Sonangol, is begin november bijgesprongen, maar niemand weet op welke voorwaarden.

Kabila en zijn naaste medewerkers zijn ten prooi aan paranoia. Alles wat misgaat in het nog niet door rebellen veroverde Congo wordt toegeschreven aan machinaties van `de vijand'. Die zou zich nu ook vermommen in de gedaante van `economische delinquenten' en `saboteurs'. `Ondermijning' van de Congolese frank (zwart wisselen), valsemunterij en ongeremde prijsverhogingen gelden sinds een recent decreet van minister van Justitie Mwenze Kongolo als “oorlogsmisdaden en aanslagen op de staatsveiligheid'. Plegers van dergelijke wandaden kunnen worden voorgeleid voor een militair tribunaal wegens “hoogverraad'. Op 27 oktober deden militairen een inval in het kantoor van de Service des Entreprises Petrolieres (SEP), waarin enkele oliemaatschappijen samenwerken inzake opslag en transport van brandstoffen voor de Congolese markt. De Nederlandse directeur, Leferink werd meegenomen naar het hoofdkwartier van de militaire inlichtingendienst. Hij werd pas vrijgelaten na interventie van de Nederlandse ambassadeur. Later bleek bleek dat de echtgenote van een naar Oost-Congo uitgeweken SEP-medewerker vanuit het kantoor had getelefoneerd met haar man.

Conclusie van de veiligheidsdienst: de SEP heult met de vijand.

    • Dirk Vlasblom