Jonge variant op gootsteenrealisme

De titel van de eerste avondvullende speelfilm van de Brit Shane Meadows (Nottingham, 1973) suggereert meer neerslachtigheid dan terecht is. TwentyFourSeven slaat op 24 uur per dag en zeven dagen per week hetzelfde vooruitzicht en dezelfde problemen van jongeren in een post-industrieel Noord-Engels stadje. Ze hangen rond in troosteloze woonwijken, waar ze andere groepjes jeugd uit iets betere buurten treiteren, en hun weinig ambitieuze criminele opzetjes koesteren.

TwentyFourSeven verkent bekend territorium: werkloze, drankzuchtige en agressieve vaders en in stilte lijdende moeders, patsers en dealers worden met een streek van de penseel neergezet. Nergens een mooi meisje te bekennen, kortom. Maar Meadows heeft zijn hart op de juiste plaats en weet vooral door humor en de levendige montage de aandacht vast te houden.

De film begint met een jongeman die in een uitgebrande treinwagon een alcoholistische, zwerver vindt, die hij herkent als Darcy (Bob Hoskins). De terugblik leert dat Darcy vijf jaar eerder een idealistisch man was, met hart voor zijn stad, zijn oude tante en `zijn' jongens. Hij bewoog de rondhangende jeugd ertoe naar zijn boksschooltje te komen.

De wat wankele premisse was dat boksen goed is voor zelfvertrouwen en zelfbeheersing. Uiteindelijk verloor juist Darcy, de buitenstaander die zelfs een voorzichtige verliefdheid opzij zette voor zijn jongens zijn beheersing. Met tragische gevolgen.

De harde zwart-wit fotografie, die nadrukkelijk herinnert aan de Free Cinema en het kitchen sink-realisme uit de jaren zestig, maakt het vaak moeilijk gelaatsuitdrukkingen precies te zien. Hoewel soms frustrerend, is die keuze begrijpelijk. De nadruk komt daarmee sterk op de lichaamstaal te liggen, hetgeen bewerkstelligt dat de veelal onervaren acteurs plausibele personages neerzetten. De weer eens uitstekende routinier Hoskins wordt beter belicht, maar krijgt niet voldoende achtergrond mee om veel meer te worden dan een metafoor voor menselijk onvermogen.

In de mooiste scenes ruilt Meadows de documentair ogende soberheid voorzichtig in voor lyriek: de eerste vechtpartijen in de ring die direct uit de hand lopen of een uitstapje met de club naar de heuvels van Wales en bovenal de scene waarin Darcy zijn oude tante naar een dansavond meeneemt.

Origineel is het misschien niet, maar het is goed dat een getalenteerd iemand de fakkel van Karel Reisz, Tony Richardson en Lindsay Anderson, van Ken Loach en Mike Leigh, Terence Davies en Bill Douglas kan overnemen.