Jong toneel bestaat niet

EEN `UITNODIGING TOT discussie' wil het `Pamflet' zijn waarmee een werkgroep van regisseurs van de Vereniging voor Nederlandse Theatergezelschappen (VNT) heeft opgeroepen tot ingrijpende hervorming van de manier waarop in Nederland de toneelkunst is georganiseerd. Dat toneelbestel is desastreus, vindt de werkgroep, het werkt jeugdig elan tegen, het werkt een jong publiek de zalen uit en het voorziet verder in de algemeen verafschuwde `reisverplichting' voor de toneelgezelschappen.

Het een is met het ander in tegenspraak. Immers, mocht die reisverplichting inderdaad verdwijnen, dan zal menig jongere buiten de Randstad niet eens meer een voorstelling kunnen bezoeken - wat jongeren bindt is onduidelijk, maar ze hebben sowieso minder geld te besteden en treinkaartjes zijn kostbaar. Alleen voor een elitair gezelschap studenten met een OV-jaarkaart zullen de voorstellingen zijn weggelegd die, als het Pamflet aanslaat, speciaal gecreeerd zullen zijn met het oog op het verlokken van een jong publiek.

De demon van het `Pamflet'is de vergrijzing, het sleutelwoord is `jong', in lijn met de wensen van de nieuwe staatssecretaris voor cultuur. Die goochelt dat woord ook telkens uit de mouw, zonder ooit duidelijk te kunnen maken naar wie het verwijst.

ONDOORDACHT EN braaf ging de werkgroep aan de slag en schreef dit Pamflet. Er moet ruimte worden gemaakt voor jonge toneelmakers, die dan (per definitie?) voorstellingen zullen scheppen op grond van stukken van jonge schrijvers. Daarmee zal, vanzelf, een jong publiek de schouwburgen en toneelhuizen in worden gejaagd. Of er nog acteurs van boven de 50 aan mee kunnen werken is onduidelijk, maar het ergste kan worden gevreesd - met jong vang je jong, dat lijkt de kwartjesfilosofische basis voor de gesprekken van de werkgroep van de VNT. Hoe die werkgroep, een gezelschapje ouwe mannen van ten minste 40 jaar wier jeugd op zijn laatst plaatsgreep in de jaren zeventig, zo precies weet wat de jeugd van nu wil, blijft in het ongewisse. Die mannen moeten zich dat ook helemaal niet afvragen. Ze moeten mooie, sterke, voorstellingen maken, op basis van particuliere obsessies waarmee ze, daar zijn ze kunstenaars voor, andere mensen weten te boeien en te ontroeren en, als ze dat noodzakelijk vinden te choqueren.

Natuurlijk moet er ruim baan worden geboden aan jong talent. En aan oud talent, als zich dat aandient. Maar het gaat niet aan zich te bekreunen om een doelgroep die zo amorf is dat niemand weet wie ertoe behoren. Leeftijd bestaat niet in de kunst, alleen kwaliteit. De rest is modieus geredeneer.