'Ik maak geen publieksfilms'; Gesprek met Paul Driessen

De nieuwe animatiefilm van Paul Driessen heet `Three Misses' en gaat in wereldpremiere op het zevende Holland Animation Film Festival in Utrecht.

Meer dan vijftig internationale prijzen won de Nederlandse animatiefilmer Paul Driessen (Nijmegen, 30 maart 1940) voor de ruim twintig onafhankelijke korte producties die hij zowel in Canada als in Nederland maakte. Maar de Oscars gingen, in 1989 en in 1996, naar zijn studenten aan de kunsthogeschool in Kassel, waar Driessen sedert 1988 doceert.

In de Haagse huiskamer van Nico Crama, zijn producent sinds 1970, heeft Driessen antwoord op de vraag, die over die twee Oscars: “Nee, ik heb er geen moeite mee dat mijn studenten wel Oscars winnen en ik niet. Mijn eigen films zijn te onaangepast, te bizar voor Oscarcommissies. Het merkwaardige van die twee Oscars voor mijn studenten is dat het allebei poppenfilms waren, een genre waar ik weinig affiniteit mee heb. Mijn bijdrage was waarschijnlijk het hameren op het belang van het verhaal, van de structuur. Dat is iets waar in Amerika veel prijs op gesteld wordt. Ik denk dat ik nog de meeste kans zou maken met mijn nieuwste film, daar komen weinig choquerende beelden of grapjes in voor.'

Driessens nieuwste film, Three Misses, is een Nederlandse productie. Tijdens het zevende Holland Animation Film Festival beleeft hij vanavond zijn wereldpremiere. “Als kind ben ik al begonnen met het tekenen van cartoons, beeldgrapjes met een pointe. In Kassel geef ik vaak als opdracht om een storyboard te tekenen, over een held die een serie obstakels moet zien te overwinnen. Ik had voor de Hogeschool drie van zulke verhaaltjes bedacht, varierend op het thema van de jonkvrouw in nood die in een race tegen de klok gered moet worden. Het eerste is een vrouw die van een flatgebouw naar beneden valt en een man die snel de trappen af moet rennen om haar op te vangen.

Het tweede gaat over een op de rails vastgebonden vrouw in het wilde westen en een cowboy die eerder dan de trein moet arriveren. Het derde was ook een klassieke cartoonsituatie: een ontdekkingsreiziger in een kookpot omringd door kannibalen, terwijl zijn collega vanuit de bosjes toekijkt.'

De studenten gingen aan de slag maar Driessen had ook zichzelf geinspireerd, al kreeg hij problemen met de Engelse co-producent van de film, Channel Four, die bezwaren maakte tegen het kannibalenverhaal. “Inboorlingen met botjes in hun neus worden daar beschouwd als niet politiek correct. Dus heb ik voor het derde verhaal een andere klassieke achtergrond gekozen: bekende sprookjes. De zeven dwergen spoeden zich naar de kist van Sneeuwwitje maar vallen een voor een af door ontmoetingen met onder meer Roodkapje en de gelaarsde kat. Het leuke van sprookjes is dat iedereen ze herkent. Het zijn afsteekjes in het vertellen, al weet je dat nooit helemaal zeker. Zo merkte ik bij de presentatie van The Water People in Japan dat ze daar niet weten wat de ark van Noach is. Maar ze kennen wel een soort zondvloed.'

Ook in veel andere films van Driessen worden meer verhalen door elkaar verteld. Vaak, bijvoorbeeld in Ter land, ter zee en in de lucht (1980), hanteert hij daarbij een vorm van split screen, waarin gebeurtenissen in het ene vlak van invloed zijn op die in een ander vlak. Three Misses bedient zich van een traditioneler vorm, de parallelmontage of cross cutting. De film werd getekend in Canada en Frankrijk geproduceerd in Nederland en verwerkt op een computer in Antwerpen.

Driessen: “Europa is belangrijk voor de animatiefilm, zeker Nederland waar een goed subsidiesysteem bestaat.

Vroeger bestond dat ook in Canada, maar dat is aan het afkalven. Veel van de topanimatoren werken nu in de reclame en voor opdrachtfilms. Als een film ingewikkeld is, maak ik hem liever als Canadese productie, daar staan grotere computers.'

Driessen woont in Canada, waar hij bij toeval terecht kwam. In de jaren zestig bezocht hij in Utrecht in de avonduren de Hogeschool voor de Kunsten, toen nog Artibus. Hij maakt er cartoons met een beetje morbide humor, ongeveer zoals later zijn film Uncles and Aunts (1992). “Er was geen opleiding voor cartoonist, dat werd niet als kunstvorm erkend. Ik maakte kennis met de animatiefilm, en werd al snel geronseld door Cinecentrum, waar men met het oog op de introductie van de STER-reclame behoefte had aan jonge animatoren. Mijn baas bij Cinecentrum was een Canadees. Die introduceerde me bij zijn landgenoot George Dunning en Dunning was, in 1967, in Londen bezig met Yellow Submarine, een lange animatiefilm op muziek van The Beatles. Ik heb daaraan meegewerkt, onder meer aan de All You Need Is Love-scene waarin de schurken de G van hun handschoenen (GLOVE) verliezen, zodat er LOVE resteert. Ik wilde toen al naar Canada. Dat lukte aanvankelijk niet, zodat ik mijn eerste eigen film Het verhaal van Kleine Yoghurt, in 1970 in Nederland maakte. Uiteindelijk ben ik terecht gekomen bij de Franstalige afdeling van de National Film Board van Canada.'

De meeste films van Driessen doen het zonder dialoog of commentaar. Meest in het oog springende uitzondering op die regel is Het scheppen van een koe (1983), waarin imitator Robert Paul met de stem van premier Van Agt als God uitlegt hoe hij het vlekkenpatroon op een koeienhuid bedacht. Driessen spreekt tegen dat hij woorden niet belangrijk vindt: “Ik hecht grote waarde aan taal, maar het probleem is dat Engels noch Frans mijn eigen talen zijn, en ik nog maar weinig gelegenheid krijg Nederlands te spreken.

Ik wil al een tijdje een kinderboek schrijven. Maar daar heb ik het Fonds voor de Letteren voor nodig, want het zal een nogal dure uitgave worden. Het gaat over een dodo die zes eieren legt. Uit een daarvan komt bij voorbeeld een krokodil, die binnensmonds praat. Als je het boek tegen het licht houdt, dan begrijp je waarom.'

Driessen heeft zelden concessies hoeven doen: “Als je geld wilt verdienen, moet je animatiefilms maken met een verhaal van A naar B. Ik ben meer geinteresseerd in voortdurend experimenteren met interacties tussen A, B en C. Ik maakt mijn films niet voor de toeschouwers, maar omdat het een leuk idee is ze te maken. Wel moet het verhaal altijd begrijpelijk blijven. Dat is een voorwaarde, omdat ik zelf zo in elkaar zit. Ik houd ook niet van surrealisme, in boeken sla ik de droomscenes altijd over.'