Eurolanden moeten les trekken uit crisis Japan

Het invoeren van de euro maakt herwaardering van keynesiaanse maatregelen in Europees verband mogelijk. Een prudent gebruik van een keynesiaans bestedingsbeleid kan Europa volgens K. Douma behoeden voor een economische crisis van Japanse snit.

In Nederland maakt men zich, deels terecht, zorgen over de opvattingen van Oscar Lafontaine over onder meer de Europese Centrale Bank (ECB). Het `blinde' Keynesianisme van Lafontaine loopt het grote risico van succes op de korte termijn en financiele chaos op de langere termijn.

Nobelprijswinnaar James Tobin wijst daarentegen op de schizofrenie van het huidige debat over de Azie-crisis en van de opvattingen over de euro, de ECB en de economische stabiliteit (NRC Handelsblad, 6 november). Tobin prijst een keynesiaans begrotingsbeleid aan als onderdeel van de oplossing voor de beroerde economische situatie in Japan. Ook spreekt hij zijn verbazing uit over de tegenstrijdigheid tussen de Europese, keynesiaans getinte adviezen aan Japan en de eigen antikeynesiaanse politiek.

Keynes lost weliswaar niet alle problemen op, maar iets meer intellectuele openheid voor de inzichten die Europa voor de crisis van de jaren dertig hadden kunnen behoeden is niet te veel gevraagd. Niemand pleit voor een herhaling van het Franse experiment van begin jaren tachtig, toen een socialistische regering koos voor een forse verhoging van de minimumlonen en andere bestedingsimpulsen, en dat geld in een mum van tijd zag wegvloeien naar het buitenland. De verwachte economische en werkgelegenheidsimpuls bleef uit. De Franse economie had te veel `lekken' naar de andere internationale economieen om van een geisoleerde Frans-keynesiaanse Alleingang een succes te maken.

Met de komst van de euro verdwijnen wisselkoersrisico's en worden kosten en afzetprijzen beter vergelijkbaar. De Economische en Monetaire Unie en de invoering van de euro zullen leiden tot een scherpere concurrentie tussen overheden en vakbonden op het gebied van investeringen en werkgelegenheid.

Euro en stabiliteitspact beperken de concurrentie tussen landen tot in hoofdzaak twee items. Ten eerste de kwaliteit van product en marketing, zaken die vooral door ondernemingen beinvloed worden, maar waarvoor overheden randvoorwaarden kunnen scheppen. Ten tweede de kosten per eenheid product. De beleidsconcurrentie, gericht op kostenverlaging, zal zich vooral afspelen op een drietal terreinen: belastingen, sociale zekerheid en arbeidsvoorwaarden.

Belastingen zijn een aanzienlijke kostenpost voor ondernemingen. De EMU-landen zullen elkaar beconcurreren met gunstige tarieven voor vennootschapsbelasting en de inkomsten- en loonbelasting. Zonder aanvullende politiek dreigt een `tax-race to the bottom'. Dalende belastinginkomsten zullen het gevolg zijn. Aangezien de financieringstekorten wegens het onlangs overeengekomen stabiliteitspact terug naar nul moeten, zal dit tot bezuinigingen leiden. Grote uitgavenposten als sociale zekerheid, onderwijs en zorg zijn dan al snel aan de beurt. Voorkomen moet worden dat de euro-landen in een neerwaartse spiraal terechtkomen van belastingverlagingen en bezuinigingen.

Ook op het terrein van arbeidsvoorwaarden zal de euro tot een versterking van de beleidsconcurrentie tussen vakbonden leiden. Veel economen hebben hierop zelfs hun hoop gevestigd. Zij erkennen dat de euro en de ECB het monetaire beleid van de overheid beperken en dat het stabiliteitspact, waarin onder andere een maximaal financieringstekort van 3 procent is vastgelegd, het begrotingsbeleid beperkt. Loonconcurrentie vormt in hun ogen de belangrijkste uitweg.

Een voorbeeld van de optredende beleidsconcurrentie tussen vakbonden is de overplaatsing van stofzuigerfabrikant Hoover van Frankrijk naar Schotland.

De Schotse bonden boden forse loonmatiging aan en zegden toe voor lange tijd niet te zullen staken. Het succes van het Nederlandse poldermodel, de ruil tussen loonmatiging en werkgelegenheid in geregeld overleg tussen partijen, is op vergelijkbare principes gebaseerd.

Van deze beleidsconcurrentie zal de Nederlandse werkgelegenheid in eerste instantie nog even profiteren. Een loonstijging in 1999 van tussen de 2 procent - het onrealistische maximum van VNO-voorman Blankert - en 3,5 procent - het maximum in de voorstellen van de FNV - zal de concurrentiepositie in Europa op peil houden. In Frankrijk en Italie valt geen extreem lage loonkostenontwikkeling te verwachten. De stijging van de Nederlandse loonkosten zal zeker geringer zijn dan in Duitsland. Dat zal onze concurrentiepositie intact laten. In het verleden bleef dit vaak uit, omdat de gulden in 14 van de afgelopen 17 jaren duurder is geworden. Voor Nederland is het daarom ook economisch van groot belang dat uiteindelijk zo veel mogelijk landen aan de euro meedoen. Op de korte termijn profiteert Nederland van zijn gunstige economische vestigingsklimaat. Maar op de langere termijn, wellicht al op dit moment is het gevaar van een mondiale en Europese vraaguitval reeel.

Wil de euro bijdragen aan de welvaart in Europa, dan moeten een Europees begrotings- en werkgelegenheidsbeleid en coordinatie op sociaal-economisch en arbeidsvoorwaardenbeleid aan de euro-agenda worden toegevoegd.

Aantasting van de onafhankelijke positie van de ECB is niet nodig. Er zijn andere wegen om op Europees niveau tot een verantwoorde economische politiek te komen. Ten eerste is een Europees belastingbeleid nodig dat tracht te komen tot harmonisatie, en bodems legt in de tax-race to the bottom, waarbij een gecoordineerde omzetting van belasting op arbeid in belasting op milieu vorm kan krijgen.

Ten tweede moeten er sturingsmechanismen komen op het terrein van de loonvorming in Europa. Het spreekt voor zichzelf dat dat geen Europese geleide loonpolitiek kan zijn. Wel zijn verbeteringen in de sociale dialoog tussen werkgevers en vakbonden in de grote Europese sectoren nodig. Niet om meteen tot omvattende Europese CAO's te komen, maar om de loonkostenontwikkeling te coordineren. De Europese werkgeversorganisaties dienen hun terughoudendheid op dit terrein op te geven.

Tevens is een vorm van geinstitutionaliseerd overleg tussen sociale partners en de EU, of de euro-11 nodig. Niet ieder land hoeft het Nederlandse `poldermodel' klakkeloos te kopieren. Maar in Europa is een dergelijke vorm van gecoordineerd sociaal-economisch beleid noodzaak.

Ten derde is een Europees begrotingsbeleid nodig dat ruimere mogelijkheden heeft dan de optelsom van de elf keer 3 procent financieringstekort van het stabiliteitspact. Van belang daarbij is dat van het BBP van het totale eurogebied volgens cijfers van het CPB slechts 14,25 procent wordt geexporteerd, terwijl de invoer slechts 11,5 procent bedraagt. Zonder te beweren dat Europa met de rug naar de wereldeconomie kan staan, zijn er mogelijkheden voor keynesiaanse maatregelen, als dat op enig moment om economische redenen gewenst is. In Japan is dat reeds het geval. In de VS nog niet, alhoewel ook daar het succes van de economie gedurende het Clintontijdperk deels te verklaren valt uit de bestedingsimpulsen die uitgingen van het toenemende begrotingstekort eind jaren tachtig.

Als de crisisgeluiden uit de wereldeconomie aanhouden, komt voor euroland het moment naderbij dat de huidige schraalhans-politiek de crisis eerder versterkt dan voorkomt.

Het geringe `lek' (11,5 procent) en het overschot op de betalingsbalans van euroland maken een Europees gecoordineerde keynesiaanse bestedingsimpuls in dat geval niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk. Het zou zonde zijn als het dubieuze begrotingscriterium van 3 procent een Europese bijdrage aan herstel van de mondiale economie en de Europese werkgelegenheid in de weg zou staan. De elf eurolanden zijn aan hun inwoners en aan de wereldeconomie verplicht hun nieuwe rol waar te maken en de geschapen mogelijkheden te gebruiken.

Het is echter uitgerekend Nederland, met Zalm en Kok voorop, dat de boot afhoudt bij de totstandkoming van Europese afspraken over een Europees begrotings- en werkgelegenheidsbeleid met keynesiaanse elementen. Zeker in de huidige politieke en economische atmosfeer is opheffing gewenst van de intellectuele blokkade tegen alles wat keynesiaans is. Een verstandig Europees-keynesiaans beleid verdient verre de voorkeur boven weliswaar noodzakelijk, maar tegelijk eenzijdig en krampachtig verzet tegen aantasting van de onafhankelijkheid van de ECB en zalmiaanse pogingen om `ons' geld terug te krijgen. Van een links-liberaal land dat altijd voorop heeft gelopen in de Europese eenwording en altijd heeft geprofiteerd van de vrijere marktwerking binnen Europa, mag een intelligentere politiek worden verwacht.