`De vorm wint het van gebruik'; Unlimited by design, een conferentie over onbruikbare gebouwen

“Architecten houden vaak te weinig rekening met andermans mogelijkheden. Daarom zijn gebouwen soms wel mooi, maar onbruikbaar', vindt hoogleraar Toegankelijkheid Maarten Wijk. Morgen wordt in Delft een conferentie gehouden over de kloof tussen ontwerpers en gebruikers.

“Over de vraag of de Rotterdamse Koopgoot mooi is, valt te twisten. Persoonlijk vind ik het ontwerp van Pi de Bruijn integer en passend. Maar die trap, die klopt niet, hij loopt niet lekker. Je moet ook niet proberen om met je kinderwagen de helling af te gaan want voor je het weet ligt je kind beneden met een stel gebroken botten. De liften zijn vanaf de Lijnbaan wel zichtbaar, maar in de `Koopgoot' zelf zijn ze onvindbaar. Er zijn dus miljoenen gespendeerd om onder de Coolsingel door te komen - eigenlijk is het niet meer dan een luxe viaduct met winkels erin - maar met alle drie de manieren om naar beneden te komen is wel iets mis.'

Professor Maarten Wijk, houder van de leerstoel Toegankelijkheid aan de TU Delft en adviseur van het Dordtse architectenburo EGM, windt zich op over de missers die met grote regelmaat gemaakt worden bij het ontwerpen van woningen, openbare gebouwen en industriele producten. Niet alleen de Rotterdamse Beurstraverse moet het ontgelden. Zijn ongenoegen betreft ook de spekgladde tegels in de hal van het Centraal Station van Leiden, waar reizigers bij regenachtig weer hun nek op breken, het labyrintische karakter van de Rotterdamse Kunsthal, en de onveilige opstapjes hellinkjes en ontbrekende leuningen in villa VPRO. Deze en vele andere voorbeelden zal Wijk voorleggen aan collega-architecten, -ontwerpers en -stedenbouwkundigen tijdens de conferentie Unlimited by Design, die morgen in Delft wordt gehouden en is georganiseerd door de TU Delft, het Platform design for all en het Vormgevingsinstituut. Terwijl bijeenkomsten van ontevreden gebruikers met de regelmaat van de klok plaatsvinden, is dit de eerste keer dat ontwerpers zelf proberen te achterhalen waarom de kloof tussen ontwerp en gebruik doorgaans zo groot is.

“Architectuur is megakunst', vindt Wijk. “Het verenigt in zich constructie, techniek, esthetiek en bruikbaarheid. Onder ontwerpers bestaat de neiging het gebruik te vergeten, waardoor je gebouwen krijgt die misschien wel mooi zijn, maar totaal onbruikbaar. Bij productontwikkeling heb je vaak te maken met een directe relatie tussen het product en een specifieke gebruiker. Bij gebouwen, en vooral openbare gebouwen, is het gebruik collectief en moet rekening worden gehouden met allerlei verschillende gebruikers. Mensen zijn lang of kort, oud of jong langzaam of snel, slim of dom, sterk of zwak. Bovendien zitten sommigen in een rolstoel, zijn blind, doof of slechtziend of verplaatsen zich met een kinderwagen of bagage. Over die verscheidenheid aan gebruikers bestaat al veel kennis, maar om een of andere reden wordt die niet opgepikt door de bouwwereld.'

De hoogleraar denkt wel enige redenen voor de selectieve blindheid van ontwerpers te kunnen aanwijzen. “Ze verplaatsen zich tijdens het ontwerpen onvoldoende in andermans mogelijkheden' volgens Wijk. “Het is heel menselijk om je te spiegelen aan je eigen kunnen en begrip, maar het resultaat is een ontwerp dat eenzijdig bruikbaar is. Daarnaast speelt, vooral in de architectuur, het refereren aan historische elementen een belangrijke rol. Een grote trap bij de ingang van een openbaar gebouw is niet functioneel, maar straalt van oudsher status en macht uit. Dat ouderen of verhuizers er letterlijk tegenop kijken als een onneembaar obstakel komt bij de architecten niet op.'

Wijk noemt het loskoppelen van vorm en gebruik, waarbij het gebruik doorgaans wordt genegeerd, `een ridiculisering van de gebruikers en het gebruik die blijkbaar toelaatbaar is'.

“Het is `not done' binnen de architectuurwereld te praten over gebruik', zegt hij. “Er heerst een cultuur die zich volledig richt op de vorm. Aandacht voor gebruik wordt gezien als recept voor gegarandeerde saaiheid. Het is typerend dat er voor het seminar over toegankelijkheid, dat de Bond van Nederlandse Architecten toevalligerwijs een dag na onze conferentie houdt slechts 20, 30 aanmeldingen zijn binnengekomen terwijl die seminars normaliter zo'n 100 tot 200 bezoekers trekken.'

Ontwerpers zijn niet de enige schuldigen als het gaat om de beperkte toegankelijkheid van gebouwen. Wijk: “Toen directeur Van Krimpen van de Kunsthal in samenspraak met Koolhaas een voorstel indiende voor een nieuwe publieksvriendelijke entree, werd dat afgekeurd door de wethouder van cultuur onder het mom dat er niets aan dit soort monumenten mag worden veranderd. En zo wint de vorm het weer van het gebruik.'

Door toedoen van belangenverenigingen van voornamelijk gehandicapten staat toegankelijkheid van openbare gebouwen, pleinen en woningen al geruime tijd op de agenda. Wijk vindt het echter hoog tijd dat de gebruikersproblematiek wordt losgeweekt van specifieke groepen gebruikers. “Het probleem van gebruikskwaliteit toespitsen op ouderen, rolstoelers of vrouwen werkt stigmatiserend', betoogt hij. “Bovendien kan een dergelijke koppeling van de problematiek aan aparte gebruikersgroepen door de ontwerper aangehaald worden als legitimatie om er juist geen aandacht aan te besteden. Want hij zegt dan `maar dit bouwwerk is ook niet ontworpen voor ouderen, rolstoelers en vrouwen'. Gebruikers zijn echter niet in te delen in normale gebruikers en uitzonderingen. Iedereen heeft wel een specifieke wens, de gemiddelde gebruiker bestaat net zo min als de gemiddelde Nederlander.'

“Ik wil het consumentisme op gang brengen', zegt Wijk strijdvaardig. “Gebruikers zijn compleet ongeemancipeerd. Nog veel te vaak wijten mensen de tekortkoming van een ontwerp aan zichzelf. Als ze een dienblad met koffie laten vallen bij het openen van een deur dan zullen ze eerder hun eigen onhandigheid dan het ontwerp van die deur als oorzaak aanwijzen. Mensen zijn ook niet snel geneigd toe te geven dat ze veel geld hebben neergeteld voor een huis dat eigenlijk onpraktisch is ingericht of een computer die te moeilijk is om te bedienen. Architecten en ontwerpers kunnen erg veel, maar ze moeten ook willen. Een mondiger consument moet ze daarom een duwtje in de rug geven.'

De vorm die de communicatie tussen ontwerpers en gebruikers moet krijgen is een van de belangrijkste onderwerpen van discussie op de conferentie in Delft. “Wat je nu vaak ziet is dat verschillende consumentenorganisaties op Calimero-achtige wijze met hun persoonlijk leed tegen elkaar opbieden', constateert Wijk. “Als die groepen op professionele wijze hun persoonlijke ervaringen zouden kunnen bundelen tot een gezamelijk eisenpakket, dan zouden ze in een vroeg stadium van het ontwerpproces kunnen aangeven wat zij als gebruikers willen. Dit is geen inspraak, waarbij iedereen zijn mening mag geven die vervolgens onder tafel verdwijnt, maar een vorm van procesbeheersing. Eigenlijk is het puur poldermodel.'