Antisemitisme in Rusland moet worden vervolgd

De leider van de Russische communistische partij (KPRF), Gennadi Zjoeganov, schijnt geen enkele moeite te hebben met de antisemitische uitlatingen van een van zijn prominente partijleden, generaal Makasjov (NRC Handelsblad, 11 november). In een interview met het openlijk racistische en reactionaire blad Zavtra noemde Makasjov joden onder andere bloedzuigers die andere volkeren uit het staatsapparaat werken en de landbouw en industrie vernietigen.

Dat Zjoeganov geen moeite heeft met een dergelijke visie is zacht uitgedrukt. De communistische leider is zelf niet vrij van anti-joodse denkbeelden. Het antisemitisme is voor hen die de moeite hebben genomen zich te verdiepen in het wereldbeeld van de KPRF en haar leiders zelfs een essentieel kenmerk van die partij.

De angst voor het `joodse gevaar' is prominent aanwezig in vrijwel alle artikelen en boeken die Zjoeganov op zijn naam heeft staan. Zo spreekt hij in zijn boek Ik geloof in Rusland over de `joodse diaspora' die sinds de Middeleeuwen een onevenredig grote invloed heeft uitgeoefend op de cultuur van de Westerse wereld. De bemoeienis van de joden met die wereld, aldus Zjoeganov groeide niet met de dag maar met het uur; verder zouden de joden zich hebben ontwikkeld tot de “grootste aandeelhouders van het westerse economische systeem'. Daarnaast zijn de joden volgens Zjoeganov behept met een “bijzonder gevoel van uitverkorenheid' en streven zij naar “het leiderschap over de hele wereld.'

Meestal praat Zjoeganov echter niet over `joden' maar over `kosmopolieten', mensen zonder vaderland en nationale tradities. Voor de goede verstaander - en zeker voor het Russische publiek - is zijn codetaal echter gesneden koek.

Sinds de antikosmopolitische campagne in de late jaren veertig en de vroege jaren vijftig staat `kosmopoliet' in Rusland simpelweg voor `jood'. Welnu deze `kosmopolieten', zo staat in een artikel van Zjoeganov uit 1994 in het tijdschrijft Literatoernaja Rossia, willen een “planetair bestuur creeren, een wereldrijk waarvan de centrale wetten boven de lokale wetten zullen gelden'.

Duidelijk is inmiddels dat Zjoeganov niet alleen last heeft - al dan niet uit opportunistische overwegingen - van antisemitisme, maar ook van zware paranoia: een machtswellustige kosmopolitische elite wil de wereld veroveren, maar hij, Zjoeganov doorziet het snode plan en probeert Rusland te redden van de ondergang.

Zjoeganovs visie op de wereldpolitiek stoelt op een samenzweringstheorie die angstig veel overeenkomsten vertoont met ideeen die aan het begin van de twintigste eeuw opgang deden in tsaristisch Rusland. Zo maakten de beruchte brigades van de Zwarte Honderden - de organisatoren en uitvoerders van duizenden bloedige pogroms - de `joodse samenzwering tegen het Heilige Rusland' tot het centrale punt van hun programma. In de eerste decennia van de 20ste eeuw kreeg die samenzwering gezelschap van het zogeheten `complot van vrijmetselaars'. Deze `joden-vrijmetselaarstheorie' (het zogenaamde zjido-masonstvo) was prominent aanwezig in het soms verborgen, maar meestal openlijke (staats)antisemitisme tijdens het communistische bewind. De KPRF, geen partij van hervormde communisten maar de directe opvolger van de communistische partij uit de dagen van de vroegere Sovjet-Unie zet deze traditie voort.

Ook uit het verkiezingsprogramma van de KPRF spreekt angst voor `kosmopolieten', die door hun afwijzing van `nationale tradities' een ernstige bedreiging zouden vormen voor de Russische identiteit. Het zionisme wordt aangewezen als een van de middelen die worden ingezet om “de Russische staat te verwoesten.'

De communistische partij laat zich al sinds haar (her)oprichting in 1993 voorstaan op haar patriottisme en vaderlandsliefde. Het partijprogramma uit 1995 stelt zelfs dat op het huidige moment niet het socialisme, maar het patriottisme de belangrijkste steunpilaar voor de Russische communisten behoort te zijn. En `patriottisme' gaat in Rusland niet zelden gepaard met antisemitisme en angst voor samenzweringen.

Toen Gennadi Zjoeganov in 1993 unaniem tot voorzitter van de KPRF werd gekozen, wist iedereen heel goed wat zijn achtergrond was.

Na een onopvallende carriere in de provinciale en centrale partijhierarchie, ontwikkelde hij zich na 1991 van een stille apparatsjik tot een van de leidende figuren binnen de nieuwe nationalistische groeperingen die het land rijk was. Zjoeganov was de drijvende kracht achter de oprichting van clubjes met klinkende namen als de `Raad van Volks- en Patriottische Krachten', het `Front van Nationale Redding' en de `Russische Nationale Vereniging'. De laatste groepering was overigens nauw gelieerd aan de `Slavische Vereniging', die geleid werd door de bekende Russische fascist Barkasjov.

Grote vraag is nu of de KPRF moet worden verboden. Premier Primakov maar ook de invloedrijke Moskouse burgemeester Joeri Loezjkov zijn daar tegen. Miljoenen mensen hebben bij de laatste verkiezingen gestemd op de KPRF, die zo de grootste partij in de Russische Doema is geworden.

Zjoeganov is nog steeds een van de belangrijke kanshebbers om Jeltsin in 2000 als president op te volgen. Het argument van Primakov dat een verbod een destabiliserende werking op het land zou hebben, lijkt daarom gegrond.

Bovendien lijkt een belangrijk deel van de achterban van de KPRF er vergelijkbare gedachten op na te houden, en die kan je door een verbod niet laten verdwijnen. Wat wel kan, is een snellere strafrechtelijke vervolging van diegenen die zich schuldig maken aan dergelijke uitspraken.

Artikel 282 van het Russische wetboek van strafrecht voorziet in geld- en gevangenisstraffen voor het beledigen van burgers naar aanleiding van hun nationaliteit, religie of ras, en het aanzetten tot nationale haat.

Als Rusland, dat inmiddels bijna drie jaar lid is van de Raad van Europa, een serieuze poging doet tot het verankeren van een rechtsstaat, moeten personen en organisaties die zich schuldig maken aan de overtredingen die in dit artikel worden genoemd, consequent strafrechtelijk worden vervolgd.