Wat hij zag, kon Gibbons uit hout snijden

Zeventiende-eeuwse ambachtslieden in Londen. Hoeveel zijn het er geweest en hoeveel is er nog over hen terug te vinden? De meesten lieten bij leven al hun naamsvermelding achterwege. Van hun werkplaatsen bleven hoofdzakelijk wat loonlijsten over. Dus wat zou er eeuwen later over de specifieke deskundigheid van die ambachtslieden nog te traceren zijn?

Weinig dus. Maar gelukkig is Grinling Gibbons (1648-1721) een uitzondering. Een houtsnijder, geboren in Rotterdam uit Britse ouders vermoedelijk opgeleid in Holland en als bijna volwassen man naar Londen afgereisd. In die toen grootste stad van Europa werd hij ontdekt door een invloedrijke hoveling, die tijdens een wandeling een kijkje nam in een obscure schuur en er verbijsterd raakte door het vakmanschap van de daar werkzame leerling-timmerman. Het duurde niet lang of de leerling kon zijn opwachting maken bij koning Charles II.

Aan het werk van Grinling Gibbons is nu een sympathieke tentoonstelling gewijd in het Victoria & Albert Museum in Londen. Dat Gibbons niet zomaar in dit walhalla van de mondiale kunstnijverheid hangt, vertelt meteen het eerste houten relief van de tentoonstelling: de drukbevolkte steniging van de heilige Stefanus tegen het decor van een classicistisch paleis. Zelden biedt een relatief plat stuk hout, via zuilen en arcaden, zoveel luchtige doorkijkjes - alsof de houtsnijder voor geen enkele Italiaanse renaissance-schilder wilde onderdoen.

Eenmaal volleerd kon Gibbons alles wat hij zag uit hout te voorschijn halen. Sterker nog, hij gaf zijn ornamenten zoveel plasticiteit en natuurgetrouwheid mee dat het er soms op lijkt dat de Schepper van hemel en aarde er in de 17de eeuw een kleine, maar toch geduchte concurrent had bijgekregen. Voor kerken, paleizen en adellijke landhuizen sneed hij balustraden, trapleuningen, plafonds, omlijstingen en schoorsteenmantels. En daartoe reeg hij zijn uit lindenhout gehakte stillevens van bloemen, schelpen, muziekinstrumenten, vogels en twijgen tot weelderige guirlandes aaneen. Guirlandes die vaak op hun beurt weer als draperieen een wandvlak moesten inkaderen.

Trinity College Kensington, Hampton Court, Windsor Castle, Chatsworth, Badminton - het was niet de sociale woningbouw waarvoor Gibbons gevraagd werd. Ook Sir Christopher Wren, architect van de St. Paul's, deed nog een beroep op hem. Of hij het sierwerk van het koor en de cherubijnen voor de kathedraal wilde leveren. Bewijzen ontbreken, maar het blijft toch aardig om te lezen dat Gibbons zoontjes voor die engelen model hebben gestaan. Zoals het ook iets zegt over Gibbons' fijnzinnigheid dat zijn houten margrieten opgevoerd op zijn wandpanelen tussen zijn bosjes dode vissen of eenden zachtjes trilden op hun steeltjes als er in de buurt een paard en wagen langs ratelde.

Dankzij recente, in Londen uitgevoerde restauraties heeft het V & A nu al die houten uitmuntendheid bijeen kunnen brengen. Jammergenoeg ontbreekt er tussen de soms sjabloon-achtig gecomponeerde guirlandes, een absurditeit, iets uitzonderlijk afwijkends dat van Gibbons meteen al meer dan een gerespecteerd ambachtsman had gemaakt. En jammergenoeg ontbreken ook duidelijke voorbeelden van Gibbons' voorgangers, die vergeleken met de Rotterdamse `maestro', bij lange na niet zo barok durfden te zijn, die letterlijk niet met hun beitels konden loskomen van de plank, en die ook niet die bekoringsdrift in zich hadden om voor hun `lordships' het onderste uit het hout te halen.

Als de belangrijkste Gibbons wordt vaak het Cosimo Paneel (1682) aangewezen afkomstig uit Palazzo Pitti in Florence. Charles II gaf het cadeau aan de Toscaanse groothertog Cosimo III de Medici. Het is een klein wonder dat het hier in Londen te zien is. Bij een overstroming in Florence in 1966 moest het uit de modder van de Arno worden opgevist en bijna twintig jaar later raakte het opnieuw beschadigd bij een gasexplosie in Palazzo Pitti.

Het Cosimo Paneel (ca. 1.40 x 1.05 cm) heeft in het hart wat machtssymbolen - kronen, een koker met pijlen, een zwaard - maar die worden overschaduwd door de omlijsting die als een geometrische hoorn des overvloeds, een ingenieus trompe l'oeil, vol druiven en schelpen, noten en aalbessen, acanthusbladeren en vergeet-mij-nietjes, doet vergeten dat hij van hout is. En alsof dat alles nog niet mooi genoeg was, kreeg Cosimo III er ook nog eens twee tortelduiven bij.

Hoe magistraal dit paneel ook mag zijn, Gibbons meesterwerk is, wat mij betreft, ook het kleinste stuk op deze tentoonstelling: een herenstrik met uitlopers, die, zeer modieus destijds, de afmetingen van een slabbetje konden aannemen. Het object, eigendom van het V & A, ligt in de zaal als een juweel op het zwarte fluweel uitgestald. En net als bij al die als crepe-papier zo frele acanthusbladeren, vergeet je weer dat elke vezel van hout is, en dat er dus niets van dat geplooide kant is gekantklost, maar dat elke draad via de guts, de beitel of de burijn is vormgegeven.

Over Gibbons is veel meer te vertellen; over zijn vijf zonen, die allen stierven voor ze volwassen werden; over zijn inspiratiebronnen, die gedeeltelijk in de decoraties van het Amsterdamse stadhuis gezocht moeten worden, en over de voorname staat die Gibbons voerde, zoals een `staatsieportret' bewijst. Welke Londense ambachtsman zou er destijds van gedroomd hebben dat er ooit een goed verzorgde tentoonstelling en een nog degelijker catalogus aan hem gewijd zou worden? Ja, misschien is dat toch de ambitieuze Grinling Gibbons geweest.