`Irak is een land van rovers, en Saddam is Ali Baba'

Natuurlijk is er in Jordanie de woede over de sancties tegen het Iraakse broedervolk. Maar verder is de liefde niet groot, zeker nu de crisis tussen Irak en de VN en de VS weer voorbij is.

“Irakezen? Ik weet er alles van.' De Jordanier Sultan zucht diep. “Ik rij al jaren tussen Amman en Bagdad en het wordt steeds erger. Als je de grens met Irak over bent, moet je gaan strooien met bankbiljetten anders laten de wachtposten je niet door. En de criminaliteit loopt de spuigaten uit. Je mag in je handen knijpen van geluk als je Bagdad haalt zonder dat je beroofd bent. Nee hoor, geloof me, Irak is een land van rovers.' Hij pakt een bankbiljet met daarop de afbeelding van president Saddam Hussein. “En dit is Ali Baba.'

Ruwaisheed, zo'n negentig kilometer van de Jordaans-Iraakse grens. Nu de ergste dreiging van een Amerikaanse aanval op Bagdad lijkt geweken, is ook de verbondenheid in Jordanie met de `Arabische broeders' aan de andere kant van de grens ineens een stuk minder. Want veel Jordaniers winden er geen doekjes om: de meeste Irakezen zijn armoedzaaiers, lastpakken die je beter kwijt kunt zijn dan rijk.

Natuurlijk is er nog steeds de woede over de sancties. “Kent u een land in de Europese geschiedenis dat ooit zo lang en hard gestraft is als Irak?', vraagt een douaneambtenaar. Maar diezelfde sancties hebben Irak zo arm gemaakt dat een groeiend aantal Jordaniers inmiddels de neus voor de broeders aan de andere zijde van de grens begint op te trekken. “Als ze hier komen hebben ze geen cent om uit te geven', klaagt een cafehouder in Ruwaisheed. “En moet je kijken wat een rotzooi ze proberen te verkopen.' Hij beent naar een stalletje naast zijn cafe, waar een Irakees plastic wiegen, leren jacks en schoenen probeert te slijten. Hij pakt een schoen. “Zij hebben geen goede lijm meer in Irak.' Een kleine beweging van zijn rechterhand en de zool van de schoen maakt zich onmiddellijk los van de bovenkant.

Hij lacht: “Made in Baghdad.'

Een voortdurende bron van vermaak is het Iraakse geld. “Weet je hoeveel ik in mijn handen heb', vraagt Sultan terwijl hij met een dik pak Iraakse bankbiljetten zwaait. “Twintigduizend dinar.' Hij zwijgt hij twee seconden voordat hij verdergaat: “Dat is acht Jordaanse dinar (ongeveer 18 gulden)'.

Voor veel Jordaniers is de Iraakse misere een bewijs dat zij het eigenlijk nog helemaal niet zo slecht doen. Boezemde de machtige buurstaat van oudsher ontzag in (“de Iraakse geschiedenis gaat terug op Assyrie en Babylon', zegt ook Sultan vol bewondering), nu vindt een groeiend aantal Jordaniers dat ook hun land toch echt wel wat te bieden heeft. “Ik weet niet wat Saddam Hussein beweegt', zegt een Jordaanse politiefunctionaris aan de grenspost. “Maar wij in Jordanie moeten blij zijn dat we door een genie als koning Hussein worden geleid. Hij heeft een verstand dat zo groot is als deze grenspost hier en hij denkt alleen aan het land, niet aan zichzelf.' Een collega is het met hem eens: “Onze koning is zo geliefd dat hij geen lijfwachten nodig heeft. En als er ergens een probleem is, springt hij in zijn sportauto om zelf te gaan kijken wat er aan de hand is.'

De Jordaniers op de grenspost waren niet bang dit weekeinde, toen het er even op leek dat de Verenigde Staten een aanval op Irak zouden uitvoeren. De Jordaniers vierden juist feest: de verjaardag van koning Hussein. Op het terrein van de grenspost hangen nog grote spandoeken, waarop de douaneafdeling de koning feliciteert. “Ook de Irakezen die de grens over kwamen vierden het feest mee', vertelt een ambtenaar. “En zij begrijpen beter dan wie ook hoe blij wij met de koning moeten zijn.'

Per dag komen gemiddeld 500 tot 600 Irakezen de grens over. Voor Jordanie hebben zij geen visum nodig. De grootste blokkade voor vertrek is de Iraakse regering zelf die voor vertrek naar Jordanie tienduizenden (Iraakse) dinar vraagt. De meeste Irakezen die naar Jordanie komen, willen handel drijven. Met name de Iraakse benzine is zeer gewild in Jordanie. Voor een paar Amerikaanse dollars kun je in Irak liters benzine inslaan, vertelt Sultan. “In Jordanie betaal je een veelvoud van die prijs. Maar pas op: de Irakezen besodemieteren je waar je bij staat.'

De Irakezen die de grens over komen willen niet praten over de gebeurtenissen van de afgelopen weken. “Ze zijn bang', vertelt een Jordaanse arts die op de grenspost werkt en zelf in Irak heeft gestudeerd. “Elke reisgenoot kan een spion zijn.' Pas in Irak begreep hij wat het is om Jordanier te zijn. Hij werkte in Basra, waar de nood nog veel hoger is dan in Bagdad. Ondervoeding, depressie, zelfmoord - hij weet als geen ander hoe zwaar de sancties Irak hebben getroffen. Op een gegeven moment besloot hij om alleen nog maar te werken en niet meer na te denken; dat deed te veel pijn. Zelfs Iraakse medestudenten, die zeiden alles te willen doen om het land er bovenop te helpen, gaven het uiteindelijk op. “Artsen mogen niet reizen in Irak, maar vroeg of laat verliezen ze allemaal de moed en steken ze de grens over. Steeds vaker zie ik in Amman oude studiegenoten.'

Hoe houdt de Iraakse bevolking het vol? “Irakezen hebben geleerd om te overleven, hoe moeilijk dat ook is. Ze proberen alles om hun ellende te vergeten. Ga maar naar Irak, dan zul je zien hoe goed de mensen kunnen feesten.' Even denkt hij na. “Ze genieten van de weinige vrolijke momenten van het leven. Want Irakezen weten beter dan wie ook dat het leven kort is en zo afgelopen kan zijn.'

    • Bernard Bouwman