Erger dan de kwaal; Een dreigend verbod op antifouling

TBT is een stof die aangroei op schepen voorkomt zodat ze harder kunnen varen. TBT tast echter ook het milieu aan, en daarom is er een wereldwijd verbod op het gebruik op komst. Maar zo'n verbod zou wel eens veel desastreuzer voor het milieu kunnen zijn.

Transport over zee is goedkoper dan transport over land, tenminste zo lang de afstand groter is dan 500 kilometer. Maar transporten van meer dan 500 kilometer over land worden economisch belangrijk aantrekkelijker als het gebruik van zogeheten antifoulings, die de stof tributyltin (TBT) bevatten, wereldwijd wordt verboden. Zeventig procent van de huidige wereldvloot is daarmee behandeld. Door een verbod stijgt het energieverbruik van schepen zo zeer dat trein en vrachtwagen concurrerender worden.

Begin deze maand kwam het Marine Environment Protection Committee (MEPC) van de International Maritime Organization (IMO) - een onderdeel van de Verenigde Naties - in Londen bijeen en formuleerde een voorlopig voorstel dat uitgaat van een wereldwijd verbod op het gebruik van deze antifoulings met ingang van het jaar 2003. Het verbod zal van kracht worden als in 2001 vijftig procent van alle scheepseigenaren die in de IMO zijn vertegenwoordigd akkoord gaat en ten minste vijftien lidstaten instemmen.

Reders hielden hun hart al vast, want het gaat om 25.000 zeeschepen. Maar ook het samenwerkingsverband van producenten van deze antifoulings - ORTEP - vrezen nu het ergste, omdat er (nog) geen redelijk economisch verantwoord alternatief voor die antifoulings bestaat. De ORTEP vertegenwoordigt 25 multinationale verfbedrijven. Ook onder milieuactivisten heerst verdeeldheid, want wat door zo'n maatregel aan maritieme milieuwinst wordt geboekt, gaat waarschijnlijk meer dan verloren door luchtvervuiling, als gevolg van een hoger energiegebruik door schepen. Met hoeveel de CO2-uitstoot zal toenemen valt nauwelijks te becijferen.

Kielhalen

Antifoulings zijn verven die de aangroei op de huid van een schip tegengaan.

Aangroei remt de snelheid of eist meer brandstof om het schip toch op snelheid te houden. Het tapijt op de scheepshuid onttrekt zich aan het zicht van degeen die op de kade staat, maar is aanzienlijk. Wie nooit in een dok is geweest om de `baard' van een schip te bekijken, kan slechts een indruk krijgen uit historische verhalen. Het krijgsvolk te water stond - tot de tuchtiging in 1854 werd afgeschaft - bij zware misdrijven een lijfstraf te wachten, die kielhalen werd genoemd. De veroordeelde kreeg een in olie gedoopte spons in de mond en werd - gebonden aan voeten en oksels - drie maal onder de kiel van het schip doorgetrokken. Meestal waren de verwondingen van dien aard dat de tuchtiging per saldo gelijk stond aan de doodstraf. Die verwondingen waren een gevolg van de aangroei van algen, zeepokken, mosselen en wieren op de scheepshuid.

Aangroei is van oudsher bestreden door schepen te behandelen met hars of pek of koperhoudende verven. De overwinning van admiraal Nelson op de Franse vloot in 1805 was voor het grootste deel te danken aan het feit dat zijn schepen met koper waren betimmerd en aangroeivrij waren, terwijl de Franse schepen een vracht aan algen en zeepokken meesleepten, waardoor ze slecht wendbaar waren.

Tussen het begin van de eeuw en 1960 werd druk geexperimenteerd met verven die koperoxide, kwikverbindingen arseenverbinden, aldrin, dieldrin en organolood bevatten, stuk voor stuk uiterst giftige stoffen. In 1960 kwam er een verbod op dergelijke biocides.

In 1970 werd een TBT-houdende antifouling geintroduceerd. Het waren zogeheten free associated paints, waaruit forse aantallen organische tributyltinmoleculen vrijkwamen die de aangroei doodden om vervolgens het ruime sop te kiezen.

Om de werking van die verf langdurig te laten zijn moest er veel van deze stof in worden gestopt. Maar dat was uit milieu-oogpunt volstrekt onverantwoord, zo bleek begin '80, toen vooral Franse en Britse oestercultures fors aangetast bleken te zijn.

Sinds die tijd heeft deze verf daarom een andere samenstelling gekregen. De zogeheten organotinverbindingen zijn tegenwoordig als het ware verpakt in een kunststof, die als verf op een schip wordt aangebracht. Hiervan wordt - in tegenstelling tot die eerdere free associated paints de uitloging een controleerbaar proces. Het zeewater schaaft voortdurend een heel dun laagje van de verf af, waardoor het oppervlak steeds actief aangroei blijft voorkomen. Deze verven of antifoulings worden self polishing copolymers genoemd. Er zit veel minder organisch tributyltin in dan de voorafgaande generatie verven. Ze bieden de reder bovendien naast energiebesparing het voordeel dat schepen maar eens in de vijf jaar het dok in moeten om opnieuw te worden geverfd of gespoten.

Dankzij die coating kon de Queen Elisabeth II tijdens de Falklandoorlog vrijwel onmiddellijk vertrekken en ver voor op schema arriveren. Van deze antifoulings wordt jaarlijks zo'n 80.000 ton op schepen aangebracht.

Imposex

Inmiddels is duidelijk dat ook door self polishing copolymers niet alleen de beoogde algen, mosselen en zeepokken het loodje leggen, maar dat TBT ook elders in het zeemilieu voor schadelijke effecten heeft gezorgd. In havengebieden - de hot spots - zijn de concentraties het grootst. In de lever van de potvis die in december een jaar geleden aanspoelde op de Nederlandse kust, zijn bijvoorbeeld sporen organotin aangetroffen, die hij via voedsel in de diepe Noord-Atlantische Oceaan binnen moet hebben gekregen.

Sporen van TBT zijn bij tandwalvissen als de dolfijn en robbenfamilies in de Verenigde Staten aangetroffen, maar ook in vis in Zuidoost-Aziatische wateren, de Adriatische Zee en de Zwarte Zee.

Een van de eerste afwijkingen onder invloed van TBT die werd ontdekt was schelpverdikking bij oesters. Een ingrijpender effect werd bij zeeslakken vastgesteld, de zogeheten imposex. In dat geval ontwikkelen zich mannelijke geslachtskenmerken bij vrouwelijke dieren. Bij 72 in zee levende soorten is die afwijking wereldwijd vastgesteld. Imposex leidt in een ver gevorderd stadium tot steriliteit. TBT kan volgens een aantal onderzoekers echter niet de enige oorzaak zijn van imposex. Imposex trad ook op bij de purperslak, die langs de kust op rotsachtige bodems leeft. Nadat het gebruik van TBT in verven voor schepen kleiner dan 25 meter in 1990 werd verboden, hebben de populaties zich weer hersteld.

Uit Nederlands onderzoek in Europa en Azie is het verband gebleken tussen imposex en scheepvaartintensiteit. Op drukke vaarroutes wordt het verschijnsel vaker gezien dan in open zee. Onderzoeken tonen aan dat vissen een lagere weerstand krijgen, de conditie afneemt en kieuwen slechter functioneren. Stress, TBT en andere chemicalien kunnen een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan dit verschijnsel. Het is echter praktisch onmogelijk op grond van `veldonderzoek' eenduidige conclusies te trekken.

Schade door TBT bij mensen is overigens nooit vastgesteld, al beweren sommige wetenschappers dat ook bij mensen het immuunsysteem kan lijden onder een teveel aan TBT. Over de hele wereld zijn inmiddels vismarkten steekproefsgewijs onderzocht op TBT in vis, schelpdieren en kreeften. De stof werd wel gevonden, maar in uiterst lage concentraties, die nergens de consumptienormen overschreden.

De stof is dus voor de scheepvaart uiterst nuttig en noodzakelijk, maar slecht voor het milieu. Al eerder zijn daarom binnen de IMO afspraken gemaakt om de toepassing van TBT binnen afzienbare tijd te verbieden. Op de Noordzee Ministersconferentie in 1995 werd besloten dat het probleem mondiaal moest worden aangepakt en de ministers vroegen de IMO om `uitfasering' van TBT-houdende verven op alle schepen. De bewindslieden kregen steun van Japan. Inmiddels bestaat unanimiteit over de wens om met de toepassing van TBT-houdende scheepsverven te stoppen.

Als het voorlopig voorstel van eerder deze maand werkelijkheid wordt, zal het laatste schip met TBT-antifouling in 2008 naar het dok gaan. Zou de maatregel niet wereldwijd van kracht worden, dan zouden regionale maatregelen kunnen volgen, zo hebben de Noordzee-ministers al eerder laten weten. Nederland had in eerste instantie al een verbod gewild in 2001, later werd dat 2006 en in de vierde Nota Waterhuishouding wordt 2010 als eindpunt gehanteerd.

`Ongelooflijke consequenties'

Inmiddels rijzen de zorgen over wat er gaat gebeuren als zo'n verbod van kracht wordt, ook bij geharnaste milieuactivisten. Michael A. Champ bijvoorbeeld was eind jaren tachtig een van de belangrijkste adviseurs van de Amerikaanse milieubeschermingdienst van de overheid (EPA). Hij was de architect van een aantal uiterst restrictieve regels tegen het gebruik van TBT's in antifoulings. Op een onlangs gehouden symposium zei Champ echter: “Op dat moment heb ik me absoluut niet gerealiseerd wat de ongelooflijke consequenties van zo'n verbod zijn.'

De Verenigde Staten kennen sinds 1988 een speciale wet die het gebruik van TBT's aan banden legt.

De Organotin Antifouling Paint Control Act verbiedt niet alleen het gebruik bij schepen die korter zijn dan 25 meter, maar stelt ook eisen aan het gebruik in dokken en op werven. Dat heeft overigens wel effect gehad. De Amerikaanse marine heeft berekend dat de vervuiling van het water door TBT met zo'n dertien procent is gezakt.

Champ - tegenwoordig onderzoeker aan de A&M Universiteit in Texas - heeft hij de effecten van de wet nauwkeurig geanalyseerd. Naar zijn schatting zorgen de TBT-houdende antifoulings wereldwijd jaarlijks voor besparing op het gebruik van brandstof ter waarde van drie miljard dollar, gebaseerd op olieprijzen van '92. Daar zou anders dus een zeer forse luchtvervuiling tegenover staan. Dat schepen slechts een maal per vijf jaar naar een dok toe moeten levert alleen de koopvaardij nog eens 2,7 miljard dollar op waardoor zij kan concurreren met nog vervuilender vrachtwagens en vliegtuigen. “We hebben dat spul dus gewoon nodig', aldus Champ. “Het geld dat we besteden aan het toezicht op de naleving van de regels kunnen we beter besteden aan nadere studies om de stof specifieker te gebruiken en minder giftig te maken.'

Een totaalverbod op TBT's zou wel eens een forse impuls kunnen geven voor het gebruik van andere stoffen die overigens al op de markt zijn. Het gaat dan om verven die opnieuw koper, zink of siliconen bevatten, stuk voor stuk producten die tevens biociden bevatten waarvan de schadelijkheid op het milieu onvoldoende onderzocht is.

Een ander probleem is dat ontwikkelingslanden niet willen meewerken aan een verbod op het gebruik van TBT-antifoulings. Champ: “Die landen gaan het milieurisico graag aan als ze daarmee een economisch voordeel kunnen halen.

Zij hebben bovendien niet de middelen om voortdurend te onderzoeken wat het effect van TBT's op het milieu is.' Dat geldt overigens niet enkel voor uitgesproken ontwikkelingslanden. Sinds Japan bijvoorbeeld een verbod heeft ingevoerd wijkt de hele vloot voor een antifoulingbeurt uit naar Zuid-Korea.

De totstandkoming van de Amerikaanse wet van 1988 vindt Champ achteraf `idioot en kortzichtig'. “Er zullen steeds meer chemische samenstellingen worden bedacht die fantastische dingen voor de samenleving doen. Maar ze zullen ook hun effect op het milieu niet missen. Ze simpel verbieden kan nooit een oplossing zijn, want dan komen er zonder twijfel weer andere. Het is veel beter door te gaan met stoffen waarvan veel bekend is, ze door te ontwikkelen en te komen tot veel veiliger toepassingen. Je moet altijd een balans zien te vinden. Als je een stof als TBT gewoon verbiedt, zal binnen enkele jaren blijken dat je het kind met het badwater hebt weggegooid.'