Energie

Het artikel `Voor niets gaat de zon op', (NRC Handelsblad, 7 november) bevat een aantal onjuistheden en is bovendien misleidend.

Weliswaar gaat de zon voor niets op, maar om de energie ervan te benutten zijn - kostbare - voorzieningen nodig waarvan de prijs door verbruikers (of de gemeenschap) moet worden opgebracht. Dat moge goed zijn voor het milieu, maar bij de huidige stand van de techniek niet zo goed voor de portemonnee. De vermelde besparing van 800 miljoen gulden (voor 1997) is daarom in werkelijkheid veel minder (en vermoedelijk zelfs negatief) omdat deze moet worden verminderd met de kosten van de noodzakelijke investeringen. Bovendien is dat besparingsbedrag (berekend op basis van een kleinverbruikersprijs van 60 cent per kubieke meter) aanzienlijk te hoog omdat de besparing aan aardgas hoofdzakelijk plaatsvindt bij de productie van elektriciteit en niet bij de kleinverbruiker die met gas verwarmt. Dan blijkt ook dat 90 procent van deze `duurzame' energie wordt verkregen door verbranden van afval, dat op zijn beurt grotendeels afkomstig is van olie/gas. Dat heeft dus weinig te maken met zonne-energie. Overigens is de geringe bijdrage van zonne-energie alleszins begrijpelijk. De besparing aan gas met een zonnecollector is zodanig dat de prijs daarvan (afgezien van subsidies te betalen door de gemeenschap) niet of nauwelijks wordt terugverdiend binnen de levensduur van het apparaat. Het is dus geen wonder dat de meeste mensen kiezen voor aardgas.

Ten slotte is het `nog aantrekkelijker' worden van zonne-energie als gevolg van een sterke prijsstijging van aardgas na de eeuwwisseling pure speculatie. Dat kan gebeuren, maar wie had in de jaren zeventig verwacht dat de olieprijs zou dalen tot zijn huidige lage waarde? Ook een verhoging van de ecotax van 3,5 cent per kubieke meter helpt evenmin om duurzame energie opeens economisch aantrekkelijk te maken.