Eilandenrijk met een imagoprobleem; HET BOLWERK - ONDERWIJS

Na achttien jaar bezuinigen valt er op het minsterie van onderwijs cultuur en wetenschappen weer iets te vieren: ruim 3 miljard extra dit jaar. Onderwijs ligt weer goed in de markt.

Niemand zal de ambtenaren van het ministerie van OC&W benijden. Terwijl collega's van andere ministeries op loopafstand van de Haagse binnenstad werken, moeten zij elke ochtend met de NS `sprinter' naar Zoetermeer. Vandaar lopen ze in vijf minuten door een nog uitgestorven winkelcentrum naar het departement, dat in 1984 werd gebouwd. Van buiten heeft het veel weg van een vesting: alles is grijs, van de metalen muren tot de jaloezieen.

Binnen lijkt het departement op een bijenkorf: de koffiecorners zijn achthoekig, de kamers klein. De werksfeer is ontspannen, zeggen ambtenaren, iedereen tutoyeert elkaar. Behalve het handjevol topambtenaren kleedt het personeel zich informeel: ze dragen spijkerbroeken, colbertjes in opvallende kleuren en mickey mouse dassen. Hun gemiddelde leeftijd is 42 jaar.

Zoetermeer. Op scholen en universiteiten is het woord synoniem aan bureaucratisch, traag, links en betweterig. Dit hardnekkige imago laat het departement niet koud. Overigens zijn de hoogste ambtenaren niet allemaal `links' georienteerd: de secretaris-generaal is partijloos, twee directeuren-generaal zijn CDA'er, een is van VVD-huize.

Imago is belangrijk voor OC&W. In een gesprek met Karel de Graaf zei Ritzen onlangs dat zijn ambtenaren de ingesleten gewoonte hadden om de vuile was niet buiten te hangen. Ook schrijft hij in zijn boek dat ambtenaren gevoelig zijn voor de grillen van de Haagse politiek.

“Als je de status van het ministerie kunt aflezen aan het enthousiasme waarmee nieuwe ministers zich ervoor aanbieden, is de status niet hoog, vrees ik', zegt W. van Velzen directeur van de `Directie Wetenschappelijk Onderwijs'. “Maar dat imago is voornamelijk op borrelpraat gebaseerd.' Volgens SG P.

Holthuis is niemand blij met de standplaats Zoetermeer: “Nooit komt iemand hier wij moeten altijd naar Den Haag. Dat maakt samenwerking met andere departementen er niet gemakkelijker op.'

Maar nu hebben de 1.500 werknemers van minister Hermans voor het eerst weer wat te vieren; na achttien jaar bezuinigingen, trekt dit kabinet extra geld uit voor onderwijs. Het departement met de grootste begroting - dit jaar 41 miljard gulden - krijgt jaarlijks 2.25 miljard gulden erbij en 800 miljoen gulden voor incidentele investeringen. Onderwijs ligt weer goed in de politieke markt. Van Velzen: “We zijn blij met de extra investeringen. En met de nieuwe minister, die weliswaar niet zo thuis is in onderwijs, maar wel bestuurlijke ervaring paart aan politiek prestige.'

De `verkokering', die het departement al jaren parten speelt, bestaat nog steeds. Ondanks een reorganisatie in 1992 waarbij het aantal directies werd gehalveerd en de directeuren-generaal een cursus kregen om hun stijl van leidinggeven op elkaar te laten aansluiten. Holthuis: “We proberen ambtenaren onderling te laten ruilen van directie, maar de meesten blijken honkvast. Dat tekent overigens hun betrokkenheid bij het werk.'

Gevolg is dat ideeen een lange route afleggen langs verschillende eilanden voor een paraaf. In totaal moeten er soms veertien handtekeningen onder een plan komen te staan, voordat het in de tas van de minister belandt vertelt de voorzitter van de Algemene Onderwijsbond J. Tichelaar, die al jaren in Zoetermeer komt. “Als het te lang duurt, ga ik de handtekeningen wel persoonlijk halen', zegt W. Danhof, beleidsmedewerker Primair Onderwijs, die overigens nog nooit veertien parafen gezien zegt te hebben.

Volgens haar zijn deze rituelen onontkoombaar en nuttig. “Bijna elke beslissing die hier wordt genomen, raakt verschillende beleidsterreinen en moet dus door verschillende mensen worden goedgekeurd. Zo heb je binnen primair onderwijs al snel te maken met voortgezet onderwijs, en heeft elk plan ook een financiele onderbouwing nodig.' De parafencultuur wordt daarom binnen het ministerie ook gezien als een paradoxale manier om verkokering te voorkomen.

Het ministerie van Onderwijs financiert immers meer instellingen dan andere departementen. Het gaat om 13 universiteiten, 54 hogescholen, 46 regionale opleidingscentra (MBO), 750 middelbare scholen, 7.400 basisscholen en de 366.000 mensen die in het onderwijs werken. Gevolg is een fijnmazig net van regeltjes, ofwel bureaucratie. “We geven veel geld uit, dus moet dat volgens geformaliseerde regels', vindt Holthuis. Scholen en universiteiten fulmineren daartegen, “maar ze zijn er ook aan verslaafd', zegt hij. “Het is wel makkelijk als het management tegen ondergeschikten kan zeggen: het staat in de regels', weet ook Van Velzen. Volgens hem vragen instellingen om regels als ze er niet zijn. Universiteiten en hogescholen mogen eenderde van hun numerus fixus-plaatsen nu zelf verdelen. “Maar ze vragen onmiddelijk aan het ministerie hoe ze dat moeten doen.'

Toch stoot Zoetermeer steeds meer taken af. Universiteiten beschikken sinds tien jaar over een eigen begroting en kunnen geen uitgaven declareren zoals voorheen. Ook middelbare scholen moeten sinds vorig jaar alles financieren uit een lumpsum. Achterstandsbeleid en huisvesting van scholen is uitbesteed aan lokale bestuurders. En dan zijn er de `proces managements': satelliet organisaties die geen ambtelijke status hebben maar wel vernieuwingen invoeren zoals het studiehuis en computeronderwijs.

Tot ongenoegen van de VVD. Kamerlid C. Cornielje: “Ze zijn te zelfstandig. De Kamer kan de minister niet aanspreken op hun activiteiten. Als wij bijvoorbeeld aanpassing van bepaalde regels eisen dan lees ik een maand later in het PM-Journaal dat ze de regels ongewijzigd uitleggen aan scholen.'

Om dit soort politieke geluiden op te vangen, hadden Ritzen en Netelenbos elk een eigen adviseur. Ritzen leunde op de jurist J. Hartkamp. De `ogen en oren' van Netelenbos heetten G. Verbeet, tegenwoordig secretaris van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer. Minister Hermans heeft nog geen stellige opvattingen zoals zijn voorganger en steunt vooralsnog op het advies van ambtenaren. Binnenshuis stelde Ritzen advies van ambtenaren niet op prijs. Zo passeerde hij de nogal uitsproken DG F. Mertens in 1995 bij de benoeming van de secretaris-generaal en ging die post naar de neutrale Holthuis, die al 25 jaar op het departement werkt. Mertens geeft tegenwoordig leiding aan de Onderwijsinspectie. In zijn boek bestrijdt Ritzen de uitlatingen van Mertens dat ambtenaren de minister moeten `adviseren'. Veel ambtenaren vinden dat. Zij beschouwen bewindslieden als passanten, die minder weten van de portefeuille dan zijzelf.