Beurs Toronto wil naam zuiveren; Schandaal rond valse goudvondst in Indonesie klinkt nog na

De Toronto Stock Exchange heeft een slechte naam sinds een goudschan- daal in Indonesie. Her- vormingen staan op stapel. De Canadese financiele sector gaat, mede door regionale gevoeligheden, echter gebukt onder kleinschaligheid.

De Toronto Stock Exchange (TSE) leed anderhalf jaar geleden zwaar gezichtsverlies toen de goudvondst van het Canadese exploratiebedrijf Bre-X in Indonesie, die werd aangeprezen als de grootste uit de geschiedenis, een vervalsing bleek. Bij massale paniekhandel werd destijds zes miljard dollar aan speculatieve investeringen in aandelen Bre-X weggevaagd. De beurs is sindsdien verweten het aandeel te haastig te hebben gelegitimeerd, door het in haar toonaangevende index op te nemen zonder dat Bre-X aan enkele basisvoorwaarden voldeed.

Het fiasco vormde een aanleiding voor zelfonderzoek en vernieuwing van de TSE. Zonder Bre-X met name te noemen, heeft de beurs de afgelopen weken een groot aantal drastische hervormingsmaatregelen gepresenteerd, met als doel het vertrouwen van investeerders te versterken. Zo werden strengere voorwaarden geintroduceerd voor nieuwe beursnoteringen, met betrekking tot bijvoorbeeld vereiste jaaromzetten en hoeveelheden activa. Een nieuwe index van zestig aandelen, zonder “troep' als Bre-X, is ontworpen om de beurs een dynamischer en betrouwbaarder gezicht te geven.

Verdere voorstellen, tot mogelijke privatisering van de beurs toe, moeten het hoofd bieden aan meer structurele problemen van de TSE. De beurs, de op twee na grootste in Noord-Amerika en de tiende ter wereld, kampt met ontwikkelingen die haar positie ondermijnen. Zonder hervorming, zo verklaarde het beursbestuur bij de presentatie van zijn plannen, “loopt de TSE het risico van ondergeschikt belang te worden op de in toenemende mate concurrerende wereldmarkt'.

De voornaamste concurrentie zit hem in New York. Integratie van de Canadese economie met die van de Verenigde Staten, sinds de sluiting van een vrijhandelsakkoord in 1988 heeft ertoe geleid dat een groeiend aantal Canadese ondernemingen naast een notering aan de TSE, ook een notering heeft aan een Amerikaanse beurs.

Canadese multinationals als de grote banken en de geprivatiseerde spoorwegmaatschappijen, zijn de Canadese investeerdersmarkt ontgroeid. Sinds 1985 is het aantal Canadese noteringen aan de New York Stock Exchange en de Nas- daq- en Amexbeurzen opgelopen van ruim 100 tot meer dan 220.

Bovendien heeft de TSE te maken met een zekere sabotage van binnenuit. De ruim honderd beursmakelaars die de beurscooperatie bezitten in de vorm van `zetels', voeren transacties steeds vaker op eigen houtje uit, buiten de beursvloer om. Koop- en verkoopopdrachten worden zogezegd `upstairs' gekoppeld, zodat kopers en verkopers anoniem blijven en makelaars meer commissie opstrijken. Pas als de transactie gesloten is, wordt zij gemeld aan de beurs; het veilingmechanisme komt er niet aan te pas. Handel via dat mechanisme is sinds eind jaren tachtig niet gegroeid, terwijl het totale volume aan aandelenhandel aan de TSE in die tijd is verviervoudigd.

Gevolg voor de beurs van Toronto is een afname van liquiditeit - het vermogen grote aantallen effecten te kopen of verkopen zonder de prijs drastisch te beinvloeden. Gebrek aan liquiditeit is vooral nadelig voor grote institutionele beleggers als pensioenfondsen, die tachtig procent van alle aandelen in Canada beheren. Als zo'n belegger een groot aantal effecten te koop aanbiedt, gaat de prijs al omlaag voordat zich kopers aandienen. Institutionele beleggers zoeken hun heil daarom liever elders: `upstairs' waar transacties anoniem geschieden, of in het meer liquide New York, waar hun grote transacties minder schokeffect hebben.

De TSE wil die vicieuze cirkel doorbreken. De beurs is van plan om, in navolging van Nasdaq, een elektronische call market te introduceren - een systeem waarbij koop- en verkooporders vertrouwelijk worden gesmeed tot transacties die vervolgens op gezette tijden worden uitgevoerd.

Zo'n anoniem handelsmechanisme moet de beurs weer aantrekkelijk maken voor institutionele beleggers. Bovendien wil de TSE de makelaars een koekje van eigen deeg geven: effectenhandel moet ook mogelijk worden buiten hen om, door investeerders zelf directe, elektronische toegang te bieden tot het handelssysteem.

Het meest opzienbarende hervormingsplan is een voorgenomen privatisering van de effectenbeurs. Beurspresident Rowland Fleming wil dat de TSE een open NV wordt, met een beursnotering aan zichzelf. Dat moet snellere en zakelijker besluitvorming mogelijk maken en betere toegang bieden tot kapitaal voor technologische investeringen. “Door meer concurrerend te worden kunnen we betere producten en diensten aanbieden en over superieure technologieen beschikken', aldus de beurs. “De TSE zal zo beter in staat zijn een liquide handelsklimaat te scheppen, wat aantrekkelijk is voor elke investeerder.'

Critici menen dat alle maatregelen aan een fundamenteel probleem voorbijgaan. Canada telt vier effectenbeurzen - naast de TSE die van Montreal Vancouver en Alberta - en dat zijn er volgens hen drie te veel. Het feit dat de vier beurzen apart opereren is volgens Paul Bates van een van de beursmakelaars van de TSE “zo achterhaald dat het een lachertje is'.

Regionale politieke gevoeligheden maken een fusie onwaarschijnlijk maar een samenwerkingsverband zou op zijn minst moeten leiden tot een elektronisch, `virtueel' nationaal beursmechanisme, zo wordt bepleit. Zover is de TSE echter nog niet. “De andere beurzen vervullen belangrijke regionale behoeften', was alles wat Fleming erover kwijt wilde.