Activisten

Mijn akeligste herinnering aan Joop den Uyl betreft een demonstratie tegen vonnissen die in Spanje waren uitgesproken tegen leden van de Baskische ETA. Hij klom op een auto en riep: hun strijd is onze strijd!

Het was een leugen. Het was niet het beleid van de PvdA om afscheidingsbewegingen aan te moedigen en zeker niet als die hun eisen met bomaanslagen en executies kracht bijzetten. Ik weet niet precies meer wanneer het was, waarschijnlijk in 1973 of 1974. Generaal Franco leefde nog een beetje, al werd gezegd dat waarnemers niet altijd in staat waren om dat met zekerheid vast te stellen. Den Uyl had zich er toe kunnen beperken te zeggen: hun vijand is onze vijand. Dat zou redelijk zijn geweest, maar dat deed hij niet, hij was solidair met de terreur van de ETA.

Ik had niet het idee dat hij meende wat hij zei, want daar achtte ik hem te verstandig voor, maar dat maakte het er nauwelijks beter op. Hartstochtelijk een menigte toespreken en de emoties hoog laten oplaaien, alleen uit opportunisme, dat was misschien nog erger. Ik keek naar de televisie en vond dat hij zich gediskwalificeerd had voor de politiek. De sociaal-economische beginselen die ik met hem deelde waren minder belangrijk dan het ene beeld op die auto.

Er was nog een keer zo'n moment waarop een voorman van de PvdA zich in mijn ogen diskwalificeerde. Het was de voormalige kroonprins Ed van Thijn, een jaar of tien later. Het ging over W.F. Hermans die door het Amsterdams gemeentebestuur tot ongewenst persoon was uitgeroepen. Toen dat niet algemeen toegejuicht werd zei Van Thijn met door pseudo-emoties verstikte stem: wie zal ons het recht ontnemen om iemand de maat te nemen als hij naar Amsterdam komt?

Dat ik die twee gebeurtenissen zo hoog opnam laat zien dat ik een romantisch beeld heb van de politiek dat erg ouderwets is en beter zou passen in de tijd van het kabinet-Den Uyl. Het waren eigenlijk politieke acties van niks, Den Uyl op die auto en Van Thijn met zijn toespraak tegen Hermans. Symbolische acties zonder veel consequenties. Moderne Nederlandse politici zouden het niet meer doen. Emoties oproepen is riskant, er zijn altijd mensen die een hekel aan je krijgen. Ik had een hekel aan dat emotionele politieke theater, maar nu het weg is mis ik het.

Ja, waarachtig, het was met nostalgie dat ik keek naar de televisiefilm over het kabinet-Den Uyl waarvan gisteren de tweede aflevering werd vertoond. Raar dat al die figuren er zo jong uitzagen. Nu ligt het ook wel voor de hand dat ze ruim twintig jaar geleden jonger waren dan ze nu zijn, maar je vergeet dat toch, het herinnerde beeld van vroeger groeit mee. Zo zei mijn herinnering dat Jan Pronk er zijn hele leven uitgezien heeft zoals nu, eigenlijk sinds hij een baby was, maar dat bleek toch niet te kloppen.

De televisiemakers hadden hun programma De illusie aan de macht genoemd. Met als ondertitel: Hoe de maakbaarheid uit Nederland verdween. Die televisiemakers waren dus duidelijk van nu, geen nostalgici. Het wordt algemeen aanvaard dat een politicus met een slecht beleid een hoop kwaad kan aanrichten, maar wie gelooft in het omgekeerde, dat er ook iets ten goede gedaan kan worden, is in de ogen van een modern mens een illusionist.

Ze deden rare dingen, de makkers van Den Uyl. Vredeling, die vliegtuigen naar Israel stuurde om te helpen met de oorlog, zonder zijn collega van Buitenlandse Zaken in te lichten. Irene Vorrink die uit een vergadering van de ministerraad wegliep om een actiegroep te waarschuwen voor de plannen van haar collega Van Agt. Maar hoe raar het soms ook was, ze wilden in ieder geval iets, ze voerden politiek. Van moderne ministers krijg je de indruk dat ze voornamelijk minister willen zijn. Dat hoeft nog niet zo slecht te zijn. Sommige kinderen weten al vroeg dat ze later burgemeester willen worden. Wat wil je dan doen? vroeg je. Nou gewoon, de dingen die aan de orde komen. Dat worden vast uitstekende bestuurders, zonder emotioneel illusionisme.

Het is ook niet zo vreemd dat ministers van nu meer op burgemeesters lijken dan op de strijdbare activisten uit de tijd van Den Uyl. Er valt nu eenmaal minder aan politiek te doen dan twintig jaar geleden.

De nostalgie die ik voelde bij het kijken naar Den Uyl gold niet het emotionele politieke theater waar ik vroeger zo'n hekel aan had. Of misschien toch wel, want wat ik wel mis is daar waarschijnlijk onverbrekelijk mee verbonden. Het is de democratie, die ons ontglipt.

De ministers zijn lokale bestuurders met beperkte speelruimte binnen regels die in Europees verband worden opgesteld. Het parlement heeft zich er mee verzoend dat er veel is waar het geen invloed op heeft en dat het in de meeste zaken waar het nog wel wat over te zeggen heeft gebonden is door een gedetailleerd regeerakkoord. De politieke partijen lopen leeg en zijn recruteringsmachines voor bestuurders geworden. Er is in Nederland weinig meer waar de democratie vat op heeft en in Europa kan een democratie niet bestaan, al was het alleen maar omdat er in het Europees parlement partijen zitten die niet echt bestaan. Het zou realistischer zijn als je daar de fractie Frankrijk zou hebben en de fractie Nederland, maar dan zouden er natuurlijk geen Europese verkiezingen meer gehouden hoeven worden.

Vorige week stond er in deze krant een artikel van Roel Janssen onder de kop Mandarijnen op sap. Het ging over de bankiers van de centrale banken van de Europese landen die ongestoord door democratische inmenging het monetair beleid bepalen. Voor het eerst zag ik de uitdrukking `mandarijnen op sap' als een positieve kwalificatie gebruikt.

En misschien terecht. Het klinkt dramatisch om te zeggen dat de democratie geleidelijk verdwijnt, maar de Europese mandarijnenstaat hoeft zo slecht niet te zijn. Het Nederlandse parlement zal trouwens nog lang bestaan, maar steeds meer als een curieuze toeristische attractie, zoals het Britse Hogerhuis. Ze kwam en ging, de democratie, en daarbuiten is ook een fatsoenlijk leven mogelijk. Maar ik was er aan gehecht.

    • Hans Ree