Violist Tetzlaff speelt vanaf maat 364 nog eens Bartok-concert

Zwierig en zelfbewust streek Christian Tetzlaff het zangerig verbunkos-thema. Zo begon zaterdag in de Matinee Bartoks Tweede vioolconcert verleidelijker dan ooit, als een onvervalste Hongaarse recruteringsdans. Tetzlaff veroorloofde zich zelfs een zigeunerachtige zwieper op de hoge gis.

Het Radio Filharmonisch Orkest luisterde aandachtig, dit was meer dan simpelweg begeleiden. Jammer, dat de kopersectie haar dag niet had. Hoe frank en vrij toch klonk dit aanstekelijk vioolspel: nergens schmierend, de cadens had zelfs een Bach-achtige strengheid. En toen gebeurde het. In maat 364 knapte een snaar. Snel griste Tetzlaff de viool uit handen van de concertmeester en speelde het slot-vivace foutloos uit zij het nu opmerkelijk slanker van toon, minder goudglanzend danwel zilver glinsterend. Vervolgens snelde de violist naar de solistenkamer. Hij herstelde het euvel en speelde omwille van de televisieregistratie het concert nog eens vanaf diezelfde maat 364 alsof er niets was gebeurd. Hoe koelbloedig!

Haast zou men door deze spectaculaire gebeurtenis vergeten, dat nog twee prachtige werken eveneens op het hoogste niveau werden uitgevoerd. Boulez' Rituel, in memoriam Bruno Maderna wordt nog wel eens gespeeld, maar Maderna's Stele per Diotima (1966) als onderdeel van de opera Hyperion klinkt maar hoogst zelden.

Maderna betitelde dit grotendeels instrumentale muziektheater als `Lirica in forma di spettacolo', als een ten tonele gebracht gedicht. De Stele had ook een doodgewoon orkeststuk kunnen zijn, totdat de violist halverwege opstaat en aan een lange solo begint. Vanaf dat moment is er theateratmosfeer. Het slot doet bedacht aan - een door een orkestutti afgeronde slagwerksectie. Vorm en structuur waren niet Maderna's sterkste kant. Hij overtuigt in bevlogen momenten van gewichtloze textuur, vlinderlicht fladderend en zwenkend, even koesterend in een zonnestraal en dan weer verder.