U missen maar U niet ontgaan

In het onvolprezen VPRO-radioprogramma OVT, iedere zondag om 10 uur op radio 1, hoorde ik dat de periode 1880-1920 volgend jaar het onderwerp zal zijn van het eindexamen geschiedenis voor HAVO en VWO. Als ook de literatuurgeschiedenis hieronder valt, is het nieuwe nummer van De Parelduiker met artikelen over J.H. Leopold, Arthur van Schendel en Saar de Swart, aan te raden lectuur.

Van deze drie is de lesbische beeldhouwer Sara de Swart (1861-1951) de minst bekende. Als muze (en geldschietster) van de Tachtigers kom je haar naam voortdurend tegen, om te beginnen in Willem Paaps sleutelroman Vincent Haman, waarin zij figureert als Esther Luzac. In geen enkel artikel over De Swart ontbreekt de anekdote over de schilder Eduard Karsen. Hij was hevig verliefd op Saar en niet kon verkroppen dat zijn liefde onbeantwoord bleef. Hij maakte haar het leven zo moeilijk, dat hun vrienden besloten tot een scheidsgerecht om Karsen tot de orde te roepen.

In De Parelduiker behandelt Jaap Versteegh, die aan een biografie over De Swart werkt, vooral haar laatste jaren toen ze met haar vriendin Emilie van Kerckhoff op Capri woonde. Hij doet dit aan de hand van brieven van de dichter Jan Engelman, die een paar keer bij de beide dames logeerde. Twee artikelen wijdde Engelman aan Saar de Swart, een in 1947 in De Tijd naar aanleiding van zijn eerste bezoek aan Capri, het tweede in 1951 in De Groene ter gelegenheid van haar overlijden. Voor de biograaf zijn deze artikelen een belangrijke bron. Raadselachtig is een bij Versteeghs bijdrage geplaatste foto van Emilie en Saar op Capri met tussen hen in, zo staat in het bijschrift, `hun beider petekind Sara-Mila Tollet'. Merkwaardig genoeg wordt dit petekind in het artikel nergens genoemd.

Over foto's gesproken: ietwat overdreven lijkt me het bijna paginagrote portret van de volstrekt onbekende Annette Monasch waar De Parelduiker mee opent. Deze vrouw wordt in een verhaal van H.T.M van Vliet over de Italiaanse reisaantekeningen van J.H. Leopold opgevoerd als `de geliefde' van de dichter, als degene met wie hij in 1921 in Rome een `romance' zou hebben gehad.

Uit de kortstondige en vrij formele correspondentie tussen de 56-jarige Leopold en de 18 jaar jongere Anette blijkt echter niets van een liefdesrelatie, wat Van Vliet uiteindelijk ook moet toegeven. Met Leopolds dood, schrijft hij `was de `romance' met Anette Monasch, die nooit een echte romance was geworden, definitief voorbij.' Vast staat wel dat Leopolds verblijf in Rome en zijn ontmoeting daar met Monasch hem tot mooie verzen heeft geinspireerd. Op de achterkant van een kaartje in zijn Baedeker noteerde hij bijvoorbeeld:

U missen maar U niet ontgaan

in zonlicht ligt Uw wezen open

in koelten komt Gij toegeslopen

in bloemen zien Uw oogen aan.

`U missen en U niet ontgaan' (zoals de regel in de definitieve versie luidt) verwoordt de `typische Leopoldiaanse paradox van het verlangen en tegelijkertijd de onwil of de onmacht zich te geven aan de ander'.

Behalve Capri en Rome komt ook Toscane aan bod in deze Parelduiker en wel in een bijdrage van Charles Vergeer over Arthur van Schendel, die daar jarenlang woonde. Uit brieven aan Aart van der Leeuw blijkt dat geldgebrek een belangrijke drijfveer was om naar Italie uit te wijken. In 1919 schreef hij bijvoorbeeld: `Ja het zijn lastige tijden voor schrijvers zoals wij, die vrienden van Henriette Roland Holst in Rusland hebben mij ook heel wat afgenomen.'

De arme Van Schendel had een aanzienlijk bedrag in aandelen van de Russische spoorwegen belegd, die na de bolsjewistische machtsovername niets meer waard waren.

Mooie verhalen heeft Vergeer ook over de Nederlanders met fascistische sympathieen die Van Schendel gedurende de jaren twintig in Italie opzochten. Niet alleen Carel Scharten dweepte met Mussolini, ook Jan Toorop en Jan Greshoff. De laatste verscheen bij de Van Schendels in het zwarte fascistenuniform, wat bij de gastheer niet in goede aarde viel.

    • Elsbeth Etty