Ouderwets modern

De baksteentjes waarvan de laagbouwflat van mijn grootouders was gemaakt en die van het Haags Gemeentemuseum, een paar kilometer verderop, waren misschien wel dezelfde. Gele, strakke baksteentjes. De witte, sterkgeurende bloemetjes — Alyssum heten zij geloof ik — die woekerden in de tuin achter die flat uit de jaren vijftig, groeiden ook bij de vijvers van het museum. Vooral als de zon scheen en de warmte bleef hangen tegen de gele muren, konden ze behoorlijk stinken. Ik vond het lekker. Nog steeds moet ik, als ik 's zomers een vlaag van die lucht tegenkom, denken aan de bezoeken aan Den Haag uit mijn kindertijd.

Misschien heb ik daarom altijd zo van het Gemeentemuseum gehouden. Het heeft te maken met mijn grootvader, met wie ik er als kind ook ben geweest. Op een enkele plek hangt de herinnering nog: bijvoorbeeld bij de ingang, vlak voordat je de lange glazen gang tussen de grote vijvers betreedt (dat is waar je die bloemetjes kon ruiken). Ook de goudleerkamer, met zijn onhandige niveauverschil, doet mij aan hem denken — was ik bang dat Opa van het trapje zou vallen? Zulke kinderemoties zijn de haakjes waaraan herinnering blijft hangen.

Een kleine, fijnzinnige man met een stok, die voorzichtig door de museumzalen loopt; ik stel mij Berlage net zo voor als mijn grootvader. Onzin natuurlijk, alleen al omdat Berlage overleed in 1934, een jaar voor de opening. Wel zouden zij elkaar gekend kunnen hebben, de grote bouwmeester en de dertig jaar jongere, dichtende jurist die mijn grootvader was. Berlage was socialist, Opa christelijk-historisch, twee heel verschillende werelden. Maar in het Nederland van vóór 1940 (of '60?) hadden mensen als zij ook veel gemeen.

Wat dat was, wordt in mijn ogen belichaamd door het Gemeentemuseum. Smaak, maar meer dan dat: een ernstig-vooruitstrevende geest. De stellige overtuiging dat licht en eenvoud beter zijn dan krullen en schemerlampjes, beter in morele zin, ongeacht of je je er lekker bij voelde. Een lekker gevoel, dat kon nooit een serieuze overweging zijn. Nee, het ging om de tijdgeest die iedere kunstenaar diende te vertolken, en iedereen met enig inzicht moest waarderen. De oppervlakkige versieringsdrift van de vorige eeuw was het ergste dat er was. Oude kunst kon weer wel, zolang men niet probeerde haar te imiteren.

Het is wonderlijk om nu, luttele generaties later, te zien hoe ouderwets dat modernisme van toen was. Het was een zekerheid, beleden door mensen die wisten dat zij het bij het rechte eind hadden: nadrukkelijk hedendaags, maar toch smaakvol. Het extremisme dat in veel hedendaagse kunst zit, lag nog achter de einder.

Het Haags Gemeentemuseum is een monument van ouderwets modernisme. Een geest die nu historie is geworden, en waarvan de laatste vertegenwoordigers bijna zijn uitgestorven.

Daarom is het zo jammer dat het geheel vernieuwde museum niet echt in zijn oorspronkelijke staat is hersteld. Het zou zo leuk zijn geweest als alle vloeren weer van rubber waren gemaakt (geluiddempend, hygiënisch en duurzaam, zei men in 1935 trots). Als er opnieuw lambrizeringen in de schilderijenzalen waren gekomen, en houten kozijnen rond de deuren, waarin gordijntjes waren verstopt. (Daarmee kon de doorgang worden afgesloten, `teneinde meer intimiteit aan de zalen te geven'.) Als niet alle muren zo ijselijk en anachronistisch spierwit waren gemaakt.

De bekroonde architect, Roos, verkondigde onlangs dat de nieuwe strakheid en al dat wit Berlages bedoelingen beter weergeven dan de oorspronkelijke toestand. De brutaliteit! Er moeten ook nettere argumenten zijn geweest om zo veel van de jaren zestig- en zeventigkilte in het museum te laten zitten, maar dat ik niet de enige ben die er last van heeft is al gebleken.

Het is jammer, dat de gematigdheid, de vriendelijkheid van vroeger zijn verbannen uit Berlages zalen. Wat hij of mijn grootvader zouden hebben gevonden weet ik niet, maar wel dat het een verlies is uit een oogpunt van cultuurhistorie — en van sentiment, wat misschien wel hetzelfde is.