Misverstanden uit Oost en West; Festival van Contrasten beheerst Concertgebouw

Het hele leven hangt van de misverstanden aan elkaar en de muziek maakt daarbij geen uitzondering. In weinig kunstdisciplines zijn kortsluitingen dan wel kruisbestuivingen zo aan de orde van de dag als in de muziek.

Daarover ging zondagavond in het Festival van Contrasten de manifestatie `Het Ultieme Misverstand tussen Oost en West', die tot ver na middernacht plaatsvond in alle ruimten van het Amsterdamse Concertgebouw.

Laat ik mij beperken tot een enkel voorbeeld van zo'n kortsluiting. Toen de Albanese ethnomusicoloog Yuri Arbatzky een tupan-slagwerker tracteerde op een Beethoven-concert was zijn reactie: “Hoe hopeloos primitief!'. De man had geluisterd naar metrische verwikkelingen die de Balkanmuziek karakteriseren. Maar in de klassieke muziek, uitzonderingen bij Saracini en Reicha daargelaten, zijn die hoogst zeldzaam.

Over Mozarts beperkte kijk op de Janitsaren-muziek (een hype in die dagen) kan men van mening verschillen: Rameau bestudeerde dergelijke muziek veel serieuzer. Het enthousiasme dat het Rotterdam Young Philharmonic toonde in Mozarts ouverture Die Entfuhrung aus dem Serail en een bewerking van de Turkse mars in A KV 331 hield Mozarrt in de confrontatie met de originele Turkse marsmuziek overeind. Toch nog het aardigst was in een van de wandelgangen de uitvoering van KV 331 op een zespedalig staand giraffenklavier van de firma Muller.

Spectaculair waren de kruisbestuivingen bij het Hongkong Chinese Orchestra, dat vanavond ook nog optreedt in de Rotterdamse Doelen op een concert met de titel `Oost-West klinkt best'. Toen de achttiende-eeuwse missionaris Joseph Amiot op een van zijn reizen door China muziek van Rameau ten gehore bracht, bleef het bij een kortsluiting. De vraag is of men inmiddels zoveel verder is, als men luisterde naar de tenenkrommend sentimentele bewerking van Chopins Etude in E op. 10 nr. 3, die als eerste toegift werd gespeeld.

Er is overigens nauwelijks verschil tussen Hollywood-muziek of Sovjet- en Chinees realisme. Maar wat klinkt het 85-koppig ensemble als een man! En hoe groot is de inzet, bloed spuit als het ware van de instrumenten. Arabische orkesten spelen voor de uitbreiding van hun instrumentarium leentjebuur bij pop en rock, compleet met mengpaneel en eveneens met behoud van het eigen repertoire. De Chinezen accepteren uit het Westen slechts de pauk. Respect kon men hebben voor het pionierswerk van Peng Xiuwen (1931-1996) die in zijn duistere fantasie onder de titel Terra-Cotta warriors in ieder geval bij alle Hollywood-invloeden de verplichte triomf een hak zet.

Het spannendst was de combinatie van het Chinese orkest met het Nieuw Ensemble onderrr leiding van Ed Spanjaard in een opdrachtwerk van Xu Shuya (1961 onder de titel Huitain, geinspireerd door een gedicht van Wang Wei: Nacht, Bergen Herfst.

Een gemengd oosters-westers ensemble van 81 musici zit op het podium en 15 Chinese musici nemen rondom het publiek plaats. In die laatste groepjes vallen de pipa's, zachte luiten, geheel weg, hoewel ze ook in het centrum veel te doen krijgen. En als Shuya het niet meer weet zet hij de shengs in met hun geheimzinnige clusters. Dat zijn de zwakke punten. Aardig is de confrontatie van de twee culturen bij soloinstrumenten zoals de fluit in het begin en de klokken meer aan het eind. Het interessantst vind ik het pointillistische herfstdeel waarin Shuya kamermuziek toelaat. Het bijzondere is, dat wij veel voorbeelden kennen van Japanse en Koreaanse vermengingen, maar daar gaat het steeds om westerse orkesten met toegevoegde oosterse kleurtjes. Ditmaal was de verhouding dus precies omgekeerd, het westen kleurde het oosten in.