Meelijwekkers

Eindelijk weer eens een spannende aanzet tot een intellectuele discussie: Abram de Swaans essay `Recepten tegen het medelijden' (NRC Handelsblad 7 november). Het is stevig en weids van gedachte, alsook knorrig van toon maar dat is, als je het hebt over onze houding tegenover de verre slachtoffers van armoede en geweld, haast onvermijdelijk. Beatrijs Ritsema viel er in haar column (NRC Handelsblad, 11 november) over, ze vond De Swaans betoog lijken op een preek. Ik heb daar geen last van, ik hou wel van een goede preek en frivool gebabbel heb je genoeg in de kranten. En ze vond het ook nog gratuit, omdat ze er geen concrete actiepunten uit kon destilleren. Ik vind dat een tamelijk suffe reden om een inspirerend betoog af te wijzen. In de eerste plaats is het de taak niet van intellectuelen om oplossingen aan te dragen - ze moeten de juiste problemen aanwijzen. In de tweede plaats zitten die `actiepunten' er wel in, als je maar welwillend leest.

Het probleem waar De Swaan mee worstelt is ons gevoel tegenover degenen die te lijden hebben. Dat gevoel geeft hij een naam: mede-lijden. Het is een onhandige term met vervelende bijbetekenissen. Je zou bijvoorbeeld ook kunnen spreken van identificatie, inlevingsvermogen of gevoelens van solidariteit. Maar De Swaan houdt nu eenmaal van dit soort woordspelletjes, er zijn `lijders' en `mede-lijders', en trouwens: what's in a name.

Eigenlijk onderzoekt hij niet hoe we aan dat medelijden komen, maar hoe we proberen het te vermijden. Dat is een flinke en in het verhaal nogal verhulde aanname: dat mensen van nature gevoelens hebben voor andere mensen, zelfs voor dieren (hoe zit het met planten?). Het neigt naar essentialisme, een soort `homo sentimentalis' maar goed: ik kan me zelf ook geen mensen voorstellen die helemaal geen gevoelens voor hun omgeving hebben.

Een meer gewaagde aanname is dat wij onze gevoelens van medelijden als onaangenaam ervaren. Want daarom ontwikkelen we volgens De Swaan allerlei mechanismen om ze af te weren. Is dat zo, is medelijden altijd onaangenaam? Ik kan me mensen voorstellen die geweldig genieten van hun vermogen tot medelijden. Een heleboel mensen zelfs, en wel al diegenen die verslaafd zijn aan televisie-soaps en ander melodramatisch vermaak. We zien het leed van anderen en barsten in overvloedige tranen uit om ons daarna weer opgewekt te wijden aan onze dagelijkse bezigheden.

Toch is het mooie aan dit essay dat het naadloos aansluit op een eerder essay van De Swaan, namelijk zijn Den Uyl-lezing van negen jaar geleden. Daarin onderzocht hij welke redenen mensen hebben om de slachtoffers van armoede en geweld wel te helpen. Sentimentele redenen noemde hij toen al, maar hij schonk er verder weinig aandacht aan.

Niet de homo sentimentalis maar de homo economicus stond hem voor ogen: welke belangen hebben we om slachtoffers te willen helpen? Hij onderscheidde bedreiging en verleiding (weer zo'n woordspelletje, maar effectief). De armen in de wereld kunnen ons bedreigen door bijvoorbeeld hier naar toe te komen, als vluchtelingen en asielzoekers. Of ze kunnen ons verleiden door een betere omgang met het milieu te ruilen voor hulp.

Nu, negen jaar later, bekijkt De Swaan de redenen die we hebben om slachtoffers niet te helpen, en hij onderscheidt drie afweermechanismen van het medelijden: de omkering, de verlustiging en de ontkenning. Bij de omkering wordt het slachtoffer voorgesteld als dader, of tenminste als medeplichtige aan zijn of haar lot. Vrouwen die worden verkracht hebben het zelf gezocht, `blaming the victim', we kennen het wel. Bij verlustiging genieten omstanders openlijk van de ellende van slachtoffers. Dat klinkt middeleeuws, maar het komt zo nu en dan nog voor, in Rwanda bijvoorbeeld, in voormalig Joegoslavie of in Duitsland toen omstanders vrolijk klapten terwijl een pension voor asielzoekers afbrandde. En ontkenning spreekt voor zich: de onwil om iets te willen weten van het lot van mensen die in verre landen wonen in barre omstandigheden.

Nu zegt De Swaan dat zowel het eerste als het laatste afweermechanisme in onbruik is geraakt. We zijn beter geinformeerd, dankzij televisie vooral, die ons dwingt op de hoogte te zijn van wat zich veraf afspeelt en die bovendien een realistischer beeld geeft van de slachtoffers. De Swaan wijst ook op de emancipatie van sommige slachtoffers. Zwarten en vrouwen hebben zich verzet tegen de leugen dat ze hun misere aan zichzelf hebben te wijten.

Hiermee zou het essay kunnen zijn afgesloten, ware het niet dat De Swaan een dergelijk optimisme niet voor z'n rekening wil nemen. Voorlopig geen hoop en zegen in deze wereld, want toen de eerste drie afweermechanismen niet meer werkten, verscheen een vierde: het vertrouwen op zorginstellingen.

Al die instituten, van Artsen Zonder Grenzen tot Ontwikkelingssamenwerking en van asielopvangcentra tot daklozenhulp hebben als neveneffect dat wij ons niet zelf met die slachtoffers hoeven in te laten. We hoeven ze niet eens te zien, laat staan dat we gevoelens voor ze hebben. De zorgsector maakt ons medelijden overbodig.

Ook nu zou je denken: eind goed al goed. Sentimenten zijn niet per se beter dan de zakelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan verantwoord burgerschap. Bovendien blijft de slachtoffers het ongemak van bombastische pathetiek bespaard.

Maar De Swaan blijft zwaarmoedig: die zorginstellingen werken niet goed en de ellende blijft bestaan. Conclusie: de bekende afweermechanismen zullen weer de kop op steken.

Dat lijkt me een raar slot, meer ingegeven door somberheid dan door weldenkendheid. Hij had beter kunnen teruggrijpen op wat televisie tegenwoordig doet, ons realistisch informeren. En voor de televisie waren er verhalen sentimentele verhalen die ons bewust maakten van degenen die iets te lijden hadden. Charles Dickens, Harriet Beecher Stowe, zij hebben meer bijgedragen tot een beschaafdere wereld dan we ons realiseren. Hiermee heeft Beatrijs Ritsema ook haar actiepunt gevonden: we moeten meer talentvolle schrijvers hebben, filmers, kunstenaars, die keer op keer onze afweermechanismen afbreken. Om in De Swaans woorden te blijven: als medelijden wordt afgeweerd, ligt dat aan de meelijwekkers, die onvoldoende in staat zijn de harten te beroeren. De wereld schreeuwt om verhalenvertellers, die ons meeslepen, ontroeren, ons dwingen tot actie.