Kerk en markt

De Herberg van Paulus is geen cafe maar een clubhuis. Het is het vergadercentrum van de Ned. Herv. Kerk in Baarn. Soms is het er een drukte van belang, zoals onlangs op een woensdagavond. In de kerk zelf was een dienst wegens de `dankdag voor het gewas', terwijl in de herberg J.W.P. Wits, de woordvoerder van de aartsbisschop van Utrecht, sprak over de communicatie van de kerk met haar leden.

Jan Willem Wits is een bekeerling, iemand uit een hervormde familie die later, tijdens zijn studie theologie in Leiden, katholiek is geworden. Met alle enthousiasme vandien. Iemand die graag en lang praat. Bijvoorbeeld over communicatie in de kerk, waarvoor hij naar Baarn was gekomen op uitnodiging van de plaatselijke Raad van kerken. Erg bemoedigend was zijn verhaal niet. Vooral niet waar het om Wits' kerk ging.

Op allerlei terreinen schieten de kerken tekort. Zij kunnen de vraag naar religie niet `kanaliseren', op het gebied van de prive-ethiek met name de seksualiteit wordt er nauwelijks meer naar de geestelijk leiders geluisterd, en bovendien hebben de kerken een zwakke `corporate identity'. Daar komt nog bij dat vrijwel alle Nederlanders vinden dat men best gelovig kan zijn zonder ooit naar de kerk te gaan en dat bijna zeventig procent van de mensen zich als gelovig ziet terwijl slechts twintig procent met enige regelmaat een kerkdienst bezoekt. En daar komt dan nog bij dat onder katholieke jongeren vrijwel niemand weet wat `advent' is en er volgens Wits zelfs katholieke scholieren zijn die menen dat met kerstmis de dood van Jezus Christus wordt herdacht. Ook signaleert hij dat een groot deel van de Nederlanders zich `christelijk' noemt maar toch voor een `horizontale levensbeschouwing' kiest. Onder katholieken zou dit horizontalisme het sterkst zijn, onder gereformeerden het minst.

Communicatiewetenschappelijk bezien zijn er vaak grote verschillen tussen datgene wat een kerk feitelijk is (identiteit) en het beeld dat anderen van een kerk hebben (imago). Bepalend voor de identiteit zijn de instemming van de leden met de kernwaarden van de kerk en de zichtbaarheid van die waarden in het handelen en spreken van de kerk.

Zo heeft volgens Wits vooral de katholieke kerk een identiteitsprobleem. Zij heeft wel uitstraling (imago), maar weet niet waar ze voor staat, terwijl dat bij protestantse kerken precies andersom zou zijn.

Volgens de Nijmeegse pastoraaltheoloog J.A. van der Ven ligt de identiteit van een kerk niet vast, maar moet ze steeds weer bevochten en geformuleerd worden. Weliswaar vormt ze niet slechts een veranderlijke grootheid, maar ze moet toch steeds in een veranderende context worden gevonden.

Zonder identiteit komt een kerk in het luchtledige te hangen en lost ze op in haar maatschappelijke omgeving of houdt ze niets anders over dan een sociale - en gezelligheidsfunctie.

Van der Ven wijst in dit verband in zijn boek `Ecclesiologie in context' (Kampen, 1993) ook op de betekenis van marktwerking binnen de kerken. Het marktdenken grijpt steeds meer om zich heen. Het laat ook de kerk niet onberoerd. Mensen treden de kerk niet alleen vanuit een calculerende houding tegemoet, maar de kerk lijkt ook zelf niet aan deze houding te ontkomen. Met gevolg dat de religieuze eigenheid van de kerk in het geding komt en dat zowel haar visie, missie gemeenschapsvorming en haar universele gerichtheid worden aangetast.

De `marktachtigheid' van de kerk wordt echter niet alleen negatief beoordeeld. Van der Ven wijst erop dat er ook theologen zijn die menen dat het marktdenken bijdraagt tot verheldering van het functioneren van kerken. Ze worden dan gezien als producent en leverancier van religieuze diensten die door betaalde krachten (priesters/predikanten en pastorale werkers) worden geleverd. Aan de consumptiekant staan de leden van de kerk, inclusief de randleden en belangstellenden die van deze diensten zoals huwelijkssluitingen, pastorale begeleiding en uitvaartverzorging gebruik maken.

Productie en consumptie worden door de balans van vraag en aanbod bepaald. Wel wordt het als problematisch ervaren dat steeds vaker financieel niet-bijdragende buitenstaanders gebruik willen maken van kerkelijke diensten. Daardoor zou er steeds minder tijd overblijven voor dienstverlening aan de eigen kerkmensen. Ook is er nog een groep die niet alleen aan de consumptiekant staat, de groep van de kerkelijke vrijwilligers. Zij werken mee aan de dienstverlening van de kerk, maar doen dat onbetaald, letterlijk `pro Deo'.