Geen man voor feesten en partijen; Amsterdamse korpschef Jelle Kuiper bedachtzamer dan zijn voorganger

Korpschef Jelle Kuiper (Hilversum, 1944) werkt bijna zijn hele carriere bij de Amsterdamse politie. Hij wil de geschiedenis ingaan als de man die Amsterdammers weer voor rood licht deed stoppen. Dat bereikt hij liever hardop filosoferend dan door als een klassiek veldheer zijn mannen voor te gaan.

Zoon van een stukadoor, fanatiek tuinier en hengelaar. Zijn vrouw leerde hij op zijn achttiende kennen bij de plaatselijke korfbalvereniging. Elk jaar gaat hij met de caravan met vakantie.

Jelle Kuiper, ruim een jaar korpschef van de Amsterdamse politie. Politieman pur sang. Scherpschutter en bedenker van het inzetten van hoogwerkers bij het ontruimen van kraakpanden. Ten tijde van zijn voorganger Eric Nordholt al gezien als “de machtigste man binnen het korps'. Maar waar Nordholt altijd Nordholt is gebleven, heet Jelle Kuiper in het hele korps Jelle.

Vraag bestuurders en politiemensen naar een typering van hem en ze vervallen vrijwel allemaal in een beschrijving van wat Nordholt niet was. Nordholt was een prominent PvdA-lid en kwam bij een aantal raadsleden thuis over de vloer, Kuiper is allergisch voor het politieke spel en beziet het allemaal met enige verwondering en van een afstand. Nordholt resideerde in de grachtengordel en was geregeld te vinden in de society-rubriek van De Telegraaf, Kuiper woont met “zijn Sjaantje' in een rijtjeshuis in Alkmaar en is, in de woorden van burgemeester Patijn, “niet zo'n korpschef voor feesten en partijen'. Nordholt had `flux de bouche' en liet zich makkelijk vangen in krantenkoppen, Kuiper is meer het type dat wat voor zich uit filosofeert. Of zoals hoofdofficier van justitie Vrakking diens imago typeert: “Nordholt is een klassiek veldheer die zijn mannen voorgaat en recht op zijn doel afstevent. Jelle zit achter zijn computer uit te rekenen waar de raketten neerkomen.'

Schijnbaar misschien elkaars tegenpolen, maar binnen het korps hebben de eerste en tweede man volgens Mariette Christophe, binnen de korpsleiding directeur professionalisering en innovatie, altijd “een magistraal samenspel' gespeeld.

Het was ten tijde van de treinkapingen in de jaren zeventig dat Nordholt voor het eerst vernam van het bestaan van Kuiper. In het noorden van land werd bekend dat het Amsterdamse peloton van de mobiele eenheid dat optrad in een opstandige Molukse wijk in Assen, een nogal eigenzinnige commandant had. Nordholt: “Een die, oneerbiedig gezegd, schijt had aan de autoriteiten. Jelle dus. Je begrijpt, dat sprak mij enorm aan.'

Bij het aantreden van Nordholt in 1987 zat Kuiper al in de korpsleiding als hoofd personeel, beheer en organisatie. Nordholt: “Kuiper en ik zaten snel op een lijn.' Terwijl Nordholt volgens Christophe vooral bedreven was in het bewerken van politiek en media, werkte Kuiper “aan de binnenkant van het bedrijf'. Patijn: “Kuiper was vooral de man van nieuwe ideeen en modellen. Binnen het hele korps heeft hij het gezag als grootste strateeg van de Nederlandse politie.'

Een nieuw idee: Kuiper wil dat de stad Amsterdam in het jaar 2000 is opgedeeld in tweehonderd `buurten' met evenzoveel `buurtregisseurs'. Patijn: “Een politiekantoortje op de hoek van de straat. Dat heeft-ie dan in Japan gezien, en dat laat hem dan niet meer los, net zo lang totdat hij het zelf heeft verwezenlijkt.'

Kuiper is volgens Christophe degene geweest die in het korps de strikte hierarchie overboord gooide en de doorstroming van agenten bevorderde. Hij geldt als man van de lange termijn en als sterk organisator, die de politie meer op meetbare resultaten laat werken. En in zijn `korpsfilosofie' moeten agenten zich beschermd voelen. “Dat vindt Jelle heel belangrijk', zegt Christophe. Dat vond hij al als chef van een groep scherpschutters in 1975 tijdens de bezetting van het Indonesische consulaat.

Toen op het balkon een Molukse terrorist met een geblinddoekte gijzelaar verscheen, kreeg Kuiper de opdracht indien nodig te schieten. Dat wilde hij dan wel zelf doen. “De kans dat het misgegaan zou zijn', weet Kuiper nog, “was 98 procent.'

Zowel Christophe als politiewoordvoerder Klaas Wilting benadrukt dat Kuiper de vrouwenemancipatie binnen het korps heeft gebracht. Maar volgens zijn vrouw, zelf overigens verklaard tegenstander van werkende vrouwen, behoeft dat beeld enige nuancering. “Dat is niet vanzelf gegaan. Ten tijde van de Warmoesstraat riep hij nog: `Zolang ik hier werk, komt er hier geen vrouw'.' En ze herinnert zich een toespraak van commissaris Welten - het moet zo'n jaar of tien geleden zijn geweest - met de opmerking: “We hebben Jelle weten om te turnen tot vrouwvriendelijk.' Inmiddels is Jelle dan `om' en apetrots op zijn oudste dochter die in het laatste jaar van de politieacademie zit.

Voor de vader van Jelle Kuiper, “een economisch vluchteling uit Groningen', was de schrik groot: zijn zoon bij de politie. Pa Kuiper had zijn kinderen, twee zonen en een dochter, bewust in een ander deel van Hilversum op school gedaan om ze een beetje los te weken uit het arbeidersmilieu. Voor zijn zoon had hij een baan in de handel in gedachten, liever geen wapengekletter. Zelf had Jelle vage ideeen over het vak van leraar Frans, maar het werd het Rijksinstituut tot Opleiding van Hogere Politie-ambtenaren (Riohpa). Iets met mensen en niet de hele dag achter een bureau, dat leek de jonge Kuiper eigenlijk wel wat. Al erkent hij nu dat hij daarom destijds ook net zo goed voor het vak van vertegenwoordiger had kunnen kiezen. Of zoals hoofdofficier Vrakking nu zegt: “Je moet Jelle niet vragen een liquidatie in het criminele milieu op te lossen.

Hij had net zo goed bij een bank of een transportbedrijf kunnen werken.'

Op het Riohpa regeerde de discipline. Het kostte Kuiper en zijn jaargenoten, allen opgevoed in de law and order-mentaliteit van de jaren vijftig, niet veel moeite zich daaraan te onderwerpen. Op 10 maart 1966 werden ze in een bus gestopt en afgeleverd voor het Paleis op de Dam. Daar moesten ze de wacht houden bij het huwelijk van Beatrix en Claus von Amsberg. Achter de Dam in de Raadhuisstraat gooiden leeftijdgenoten met rookbommen. “Het was allemaal zo raar', zegt Kuiper.

Later als agent werd hij er op uitgestuurd om de musical Hair op zedelijkheid te beoordelen (“Er moest een moment supreme zijn, maar dat is me geloof ik ontgaan'). Hij werd geconfronteerd met bloemenkinderen die dachten dat ze konden vliegen en hij moest toezien hoe de Damslapers zo'n beetje alles deden wat verboden was. “Dat was een schokeffect', zegt hij. Maar als zijn vrouw, die het allemaal via de radio volgde, hem in die tijd bij thuiskomst toevoegde:`Jullie laten veel te veel met jullie sollen, schiet er dan eens een door z'n poot', dan zei Kuiper: `Kind, je weet niet waar je over praat. Er zitten daar kinderen met autootjes te spelen'.

`Dat is toch raar' Kuiper zegt het vaak. `Raar' dat scholieren hun spullen in kluisjes moeten stoppen, dat je je fiets met drie kettingen op slot moet zetten, dat bejaarden niet over straat durven. “Dan denk ik: we zijn veel kwijtgeraakt.'

Kuiper zou het een eer vinden de geschiedenis in te gaan als de korpschef die Amsterdammers weer voor rood licht deed stoppen. Sinds een paar weken lopen de agenten met het handboekje `Streetwise' op zak waarin boetes staan voor zaken als wildplassen en het beledigen van agenten.

De politie moet van Kuiper weer scheidsrechter op straat worden.

Goedlachs. Onderuitgezakt, benen op tafel. Pakje Caballero binnen handbereik. Kuiper maakt de indruk per toeval op de stoel van korpschef beland te zijn. Maar al meer dan twintig jaar geleden liet hij zich, bij het krieken van de dag in een vissersbootje op 't Twiske, aan zijn goede vriend Rob Geel ontvallen dat hij de hoogste functie bij het Amsterdamse politiekorps ambieerde. En: “Draag ik soms een bordje met `uniformdienst' op mijn pak', zo had hij de korpsleiding toegevoegd, toen hij in bureau Warmoesstraat naar zijn smaak te lang bleef hangen als chef uniformdienst.

Samen met Joop van Riessen, nu tweede man en destijds chef recherche, had hij zich in de Warmoesstraat voor goed op de kaart gezet. Tussen 1975 en 1980 hadden deze `jonge honden' de strijd aangebonden met de corruptie binnen het bureau. Rechercheurs die samen met Chinese gokbazen gingen gokken en agenten die prostituees protectiegeld lieten betalen. Zonder medeweten van de korpsleiding begonnen Kuiper en Van Riessen een intern onderzoek. Van Riessen: “Wat dat betreft waren we idioten. We hadden zoiets van: wie zijn hier de baas? Dat zijn wij toch?'

“Hij wilde altijd all-round worden', zegt zijn vrouw. “Om te voorkomen dat hij passeerbaar zou zijn.' De verbazing bij collega's was groot toen Kuiper na de Warmoesstraat overstapte naar personeelszaken. “Ik zou zijn doodgegaan', zegt Van Riessen, “maar Jelle zei: `Goed voor mijn ontwikkeling'. Binnen een paar jaar zat Kuiper in de korpsleiding.'

Nordholt wist het eigenlijk al een jaar na zijn aantreden: Kuiper zou hem opvolgen. Nordholt gaf in 1995, na de parlementaire enquete opsporingsmethoden,aan dat hij nog twee jaar zou blijven.

Tijdens de carrousel van vertrekkende korpschefs die daarna ontstond, was Kuiper even kandidaat voor Rotterdam. Tegen de zin van burgemeester Patijn, die in het Catshuis duidelijk maakte: “Jelle is mijn man.' Minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) vond dat een nieuwe korpschef niet uit zijn eigen korps kon komen. Nordholt en Harry Borghouts, toen secretaris-generaal bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, omzeilden dat probleem. Kuiper werd vanaf medio 1996 een jaar gedetacheerd op Binnenlandse Zaken.

Het is Kuiper niet meegevallen ineens de eerste man te zijn. “Op de moeilijkste momenten sta je alleen.' In september een jaar na zijn aantreden,oordeelde de Amsterdamse krant Het Parool op de voorpagina vernietigend over hem: “Kuiper heeft geen gezag'. Verder was er alom kritiek op zijn afwezigheid na de rellen met Marokkaanse jongeren in Overtoomse Veld. Er waren problemen in de driehoek, het overleg van korpschef, burgemeester en hoofdofficier van justitie. En in het tv-programma Netwerk hoorde hij zichzelf filosoferen over het interneren van jonge `draaideurcriminelen'. Tot zijn grote verbazing heette dat de volgende dag opeens `Kuiperkampen', in de media afgeschoten als `ondoordacht plan'.

“Hij is af en toe wat lang van stof en zou iets alerter kunnen zijn op de politieke actualiteit', zegt burgemeester Patijn. Ook Vrakking waarschuwt voor de filosofische inslag van Kuiper. “Af en toe denk ik: nu weer even met beide benen op de grond. Je moet uitkijken dat door al dat gefilosofeer je koers niet meer duidelijk is.' Binnen de driehoek waren er strubbelingen. “In de oude driehoek hadden we aan vijf woorden genoeg', zegt Vrakking, die vooral door de IRT-affaire met Nordholt verbroederd was.

Kuiper moet zijn plek nog vinden. Bovendien heeft de huidige driehoek volgens de hoofdofficier onvoldoende doorgepraat over de vraag wat de prioriteiten in de stad moeten zijn.

Maar is hij de juiste man op de juiste plaats? Patijn resoluut: “Tot op de dag van vandaag is Jelle mijn man.' Vrakking denkt diep na. Een seconde of tien is het stil, dan zegt hij: “Hij is in ontwikkeling.' Kuiper zelf intussen leeft in de stellige wetenschap dat hij in het Amsterdamse korps nog altijd al zijn ideeen voor elkaar heeft gekregen. “Let op, dat Streetwise gaat van betekenis zijn.' Op negatieve publiciteit reageert hij laconiek. “Ze doen maar.' Of zoals zijn vrouw zegt: “Thuisgekomen trekt hij zijn klompen aan en gaat de bollen planten. Maar hoe dat dan van binnen zit, weet ik ook niet helemaal.'