De shoah is onderdeel van onze identiteit geworden

De grote Duitse literator Martin Walser heeft in de kerk gevloekt. In zijn dankwoord voor de Vredesprijs van de Duitse boekhandel die in het verleden vaak naar voorvechters van de mensenrechten is gegaan, heeft Walser gesuggereerd dat het geen kwaad zou kunnen als Duitse dichters en denkers in het vervolg niet als hoeders van het nationale geweten optreden. `Auschwitz mag geen morele knuppel zijn', was de kop boven deze prachtig geformuleerde beschouwing (NRC Handelsblad, 14 november).

Omdat het de historische regel is dat massamoord meestal mettertijd in het vergeetboek raakt, is de vraag waarom Duitsers zichzelf blijven geselen met de shoah valide.

Walser heeft dit klassieke probleem kunstig verpakt in het papier van het eigen leven. De grote en succesvolle schrijver die hij is, zegt nu met unfaire middelen te zijn gekritiseerd. Maar deze tweede Goethe laat zich niet opzij schuiven als een man die niet vaak genoeg aan Auschwitz refereert.

De dichters en denkers, de pseudo-intellectuelen die kritiek op hem hebben, grossieren volgens Walser in beschuldigings-routine's en in een gratuite identificatie met de slachtoffers van de shoah. Zij doen dit voor een deel om zichzelf vrij te pleiten. Auschwitz, de Duitse schande, mag volgens Walser noch een werktuig zijn voor actuele doeleinden noch een intimidatiemiddel in het debat.

De rituele herdenkingen laten Walser koud. De Duitsers zijn trouwens een gewoon volk en Duitsland is vandaag de dag een gewone samenleving. Bovendien kan de vraag worden gesteld of het geweten niet per definitie individueel is.

Als Walser bedoelt dat discussies over literatuur niet met politieke middelen moeten worden uitgevochten, dan heeft hij vanzelfsprekend gelijk. Het is echter even goedkoop om tegenstanders politieke correctheid en cultureel Stalinisme te verwijten, als dat we de kwaliteit van andermans motieven in twijfel willen trekken.

Er is - misschien zou dit moeten worden herhaald - een voor de hand liggende reden voor het verbazingwekkende feit dat Auschwitz na vijftig jaar nog niet vergeten is: omdat de naoorlogse generaties helemaal niet willen dat dit gebeurt. Zowel linkse als liberale intellectuelen verwijzen even vaak naar de shoah als de dominees en de pastoors van vroeger naar de hel.

Zij noemen dit `de les' van Auschwitz.

Politici en intellectuelen in de Bondsrepubliek doen dit. En behalve in Israel doen zij dat ook in het Verenigd Koninkrijk in Amerika, in Frankrijk, in Nederland. Kortom, in de landen die tijdens de Koude Oorlog `Het Vrije Westen' werden genoemd.

Alleen al het succes van het Amsterdamse bedevaartsoord dat Het Anne Frank Huis heet bewijst dat de actualisering van Auschwitz niet een specifiek Duits fenomeen is.

En is de even primitieve actualisering `Saddam Hussein de nieuwe Hitler' niet gewoon een oer-liberale slogan? Deze houdt in dat wie berust in de afschaffing van de democratie de toegang tot de gaskamer wijd open zet.

Duitsland is, zoals Walser zegt, inderdaad een volkomen normaal land. Omdat het even gefixeerd is op de jodenmoord als alle andere beschaafde landen. Anders dan allerlei andere voor buitenstaanders onbegrijpelijke Duitse gewoontes (braadworst, gepoetste schoenen, op tijd komen) delen de Duitsers deze obsessie met tientallen miljoenen anderen.

Volgens de Zuid-Duitse historicus Christian Meier delen de bewoners van `Het Vrije Westen' niet zoveel collectieve herinneringen. Als er een Atlantische collectieve herinnering bestaat dan is het die aan terreur en genocide. De shoah is een onderdeel geworden van onze identiteit.

Mensen doen dat tegenwoordig nu eenmaal graag: praten over hoe zij zichzelf en elkaar zien. Walser gelooft hier niet in: “Ieder is met zijn geweten alleen'. Hij formuleert het als een credo. Hopelijk is hij tolerant genoeg om de anderen - zij die geloven dat wel degelijk zoiets als een collectief geweten bestaat omdat het zou moeten bestaan - hun geloof te gunnen.

En toch. Misschien heeft Walser gelijk als hij suggereert dat deze discussies over de eigen identiteit geen werkelijke vervanging kunnen vormen van het eigen, hoogstpersoonlijke geweten. Maar was er dan iemand die dit beweerde? Neemt het probleem van de individuele verantwoordelijkheid in de actualiseringen van de shoah dan niet de centrale plaats in? Het gaat toch altijd om hetzelfde: om de politiek-morele vraag wat mensen van vandaag toen gedaan zouden hebben.