Tegucigalpa is, letterlijk, een poel van verderf

In Tegucigalpa wordt met man en macht geprobeerd de modder op te ruimen. Buiten het afgezette noodgebied bieden koopvrouwen al weer op kleedjes hun waren aan: uien, wortels, kool en tandpasta.

Zelfs de vele handen lijken het werk niet veel lichter te maken. De hoeveelheid modder en puin is overweldigend in dit gebied van ruwweg een vierkante kilometer, midden in het centrum van de Hondurese hoofdstad Tegucigalpa. Hier stond het water drie meter hoog in de Maria Auxiliadora-kerk. Nu liggen er nog auto's onder de modder en zakken de schoonmakers er soms tot aan hun knieen in.

Het is een wijk van kleine en grotere zaakjes, er zijn markten en ook een paar ministeries. Brandweermannen, soldaten, marktlui, straatkinderen en studenten - honderden mensen, mannen en vrouwen, jongens en meisjes, zijn bezig met het wegscheppen van de modder, het ruimen van het puin. Alles wordt naar het midden van de straat geveegd, waar zware bulldozers van het Mexicaanse leger de rotzooi opscheppen en in een eindeloze rij kiepwagens dumpen. De overheersende stank van verrotting is misselijkmakend en blijft nog lang bij de bezoeker van dit gebied. Hoog boven de gebouwen trekken aasgieren waakzaam rondjes door de lucht. Vermoed wordt, dat nog op een aantal plekken dierlijke en menselijke resten liggen. Vele werkers dragen kapjes die mond en neus bedekken, velen ook niet. Lang niet iedereen heeft handschoenen aan.

Martin Calderon, een 28-jarige economiestudent, werkt met een ploegje van dertig medestudenten acht uur per dag in dit gebied. De studenten doen dit op vrijwillige basis, ofschoon sociaal werk een verplicht onderdeel van het curriculum vormt. Ze hebben hun eigen handschoenen moeten kopen, ze moeten zelf voor hun eten zorgen. Het enige wat ter beschikking werd gesteld waren tetanus-prikken.

Calderon wijst op wat een meer lijkt. Hier is in de dagen van 'Mitch' de doorgaans kleine rivier Choluteca uitgegroeid tot een enorme watermassa.

Het probleem is dat de rivier verderop is afgesloten door een aardverschuiving, toen de heuvel Berrinche met de wijk Colonia Soto er bovenop in elkaar stortte en de verdere afvoer van het water blokkeerde. Het kunstmatige meer - het bedekt onder meer een compleet voetbalveld - vormt nu een directe bedreiging voor de volksgezondheid. Onder de vrijwilligers en anderen die hier schoonmaakwerkzaamheden verrichten is diarree uitgebroken, hebben zich al enkele tientallen gevallen van de oogziekte conjunctivitis en hepatitis A voorgedaan. Commandant Roberto Rodriguez van de brandweer meldt dat enkele van zijn manschappen last hebben gekregen van huidaandoeningen. “Maar desinfecterende zeep is niet beschikbaar.'

Francisco Izaguirre, een 41-jarige politicus, maakt van de situatie gebruik om alvast te beginnen met zijn campagne voor de burgemeestersverkiezingen die over vier jaar worden gehouden. Hij wil graag de opvolger worden van de populaire burgervader van Tegucigalpa, Cesar 'de dikkerd' Castellanos die de zondag na de ramp bij een helikopterongeluk om het leven kwam, en wiens overlijden nog steeds algemeen wordt betreurd. Terwijl de weduwe van Castellanos inmiddels de plaats van haar man heeft ingenomen, heeft Izaguirre een twintigtal activisten van de Nationale Partij met T-shirts met zijn naam erop aan het werk gezet in de modderwijk. Zelf hanteert hij ook voortvarend de spade. Goodwill kan niet vroeg genoeg worden gekweekt om in stembustijd te kunnen oogsten.

Tussen de modderhopen ook toevallige ontmoetingen. David Melendez, een beroepsbrandweerman uit Puerto Rico, was met vakantie in Honduras toen 'Mitch' het land trof. Een veteraan van vele rampen aarzelde hij geen moment.

Nu helpt hij mee met de schoonmaakwerkzaamheden in de Vierde Avenue. “Natuurlijk afschuwelijk wat er is gebeurd, maar ik geniet hier wel van. Dit is mijn leven, hier doe ik het voor!'.

Bij Roldan Contreras, een veertigjarige houtbewerker uit de sloppenwijken die met een viertal buurjongens en neefjes met spades en houwelen door de modder stapt, gaat het hier niet om een uit de hand gelopen hobby. Zij hopen hun arbeid te kunnen aanbieden aan de eigenaren van de met modder gevulde winkeltjes om wat te verdienen. Het lukt nog niet erg. “Ik mocht een paar handdoeken houden die ik uit de modder had opgegraven bij een textielwinkel', zegt Contreras. Voor de jongens, die 10 tot 14 jaar oud zijn, is de school nog niet begonnen: docenten en leerlingen zijn nog druk aan het graven.

Opvallend veel kinderen zijn hier met zware schoppen en kruiwagens vol modder in de weer. De 10-jarige Miguel helpt zijn moeder. Zij had had een kledingzaakje op de Alvarez-markt, waar in totaal 1.500 betonnen en houten stalletjes staan. Lang niet alle kooplui zijn teruggekeerd naar hun stalletjes: sommigen bleven er tijdens het noodweer hun spulletjes bewaken en werden meegesleurd met het water. Schoenenkoopman Leonel Escoto zag zijn handel ter waarde van 60.000 lempira verloren gaan. “Niks was verzekerd, dat kon hier op de markt niet. We hebben nu kredieten nodig om opnieuw te kunnen beginnen.'

Ook het godshuis in deze wijk is niet gespaard gebleven. Vrijwilligers hebben de meeste modder uit de Maria Auxiliadora-kerk geschept, maar het altaar zit nog onder de viezigheid. En een beeld van de heilige Jan van Bosco ligt er in een dikke laag blubber voor.

De catastrofe biedt ook nieuwe mogelijkheden.

Direct buiten het met plastic linten afgezette noodgebied op een drukke toegangsbrug bieden koopvrouwen al weer op kleedjes hun waren aan: uien wortels, kool en tandpasta. Jose, een twaalfjarig ondermaats straatjongetje heeft een mooie handel ontdekt - voor een lempira wast hij met vuil rivierwater de modder van je schoenen.

Die rivier begint overigens langzaam weer te stromen. Mexicaanse bulldozers is het inmiddels gelukt om met dag en nacht werken een doorgang te graven in de ingezakte berg; de Choluteca begint nu zijn oude loop te hervinden. Ergens moet hier ook nog een tweebaans weg liggen - die is nog niet uitgegraven.

Wanneer het water zal zijn weggestroomd uit het kunstmatige meer, dan zal vermoedelijk een aantal vermiste hoofdstedelingen worden teruggevonden. Maar van sommige marktkooplui en andere bewoners van deze zwaar-getroffen wijk zal nooit meer iets worden vernomen.

    • Reinoud Roscam Abbing