Technisch gezien; GROOTSCHEEPS ONDERZOEK NAAR MODERNE NEDERLANDSE TECHNIEKGESCHIEDENIS

Elektriciteit en niet zozeer de lopende band deed de Nederlandse productiviteit grotelijks stijgen. Waarschijnlijk, want het onderzoek gaat verder. Deze week verscheen deel 1 van de serie 'Techniek in Nederland in de twintigste eeuw'. Voor onderzoekers en leken.

'MEDE DANKZIJ moderne bouwtechnieken in beton en staal konden de Deltawerken worden gerealiseerd.' Zinnen als deze duiken regelmatig op in geschiedkundige werken. De meeste historici beschouwen technische ontwikkelingen als een oorzaak, als een exogene factor. Maar techniek is ook een gevolg. Technische ontwikkelingen worden mede bepaald door sociale, politieke, economische en culturele ontwikkelingen. Die kant van de medaille wordt minder belicht. Ook niet door technici zelf, wier historische belangstelling niet zelden beperkt blijft tot apparaten en constructies, tot 'bouten en moeren'.

Begin jaren negentig verscheen de zesdelige serie Geschiedenis van de techniek in Nederland, 1800-1890. Dit bracht de betrekkelijk recente onderzoekstraditie van 'techniek in maatschappelijke context', respectievelijk 'maatschappij in technische context', onder de aandacht van een breed publiek van wetenschappers uit verschillende disciplines en overige geinteresseerden. Dezelfde aanpak staat centraal in het project Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deze week is het eerste deel gepresenteerd van wat een zevendelige serie moet worden over het tijdperk waarin nu alledaagse zaken als telefoon radio, auto, vliegtuig, elektriciteit en halfopen zeewering hun plek kregen. Net als de boeken over de negentiende eeuw is deze serie bedoeld voor onderzoekers en leken: de delen bevatten elk tientallen pagina's noten, maar ook honderden foto's en tekeningen en een doorgaans vlot geschreven tekst.

Het zijn echter niet alleen de wetenschappelijke benadering en de presentatie die dit project bijzonder maken. Alleen al door zijn omvang neemt het een speciale plaats in binnen de Nederlandse (sociale en historische) wetenschap.

De begroting beslaat zo'n zestien miljoen gulden, bijna vier keer zo veel als het negentiende-eeuwse project. Tegen de tijd dat het is voltooid, in 2002, zullen er circa tachtig onderzoekers aan hebben meegewerkt. Er zijn negen universiteiten bij betrokken en meer dan honderd sponsors. De zevendelige serie is dan ook maar een van de vele publicaties die uit het project voortvloeien.

Hoewel de eerste stappen voor dit project al in 1992 werden gezet door de Stichting Historie der Techniek, is de realisering ervan lange tijd onzeker gebleven. De kosten vormden een formidabele drempel. Van meet af aan werd gepoogd het bedrijfsleven te betrekken bij de financiering. Uiteindelijk ziet het ernaar uit dat de beoogde 5,5 miljoen gulden uit die kring zal worden binnengehaald, taxeert Harry Lintsen, hoogleraar techniekgeschiedenis in Eindhoven en voorzitter van de redactie. Maar dat was niet genoeg. Naast de bijdrage van de universiteiten - 6,5 miljoen gulden, grotendeels in de vorm van onderzoekers - was nog meer nodig, met name van NWO. Dit voorjaar kwam de omslag, zegt Lintsen: 'Vier miljoen. Met een miljoen van Economische Zaken erbij was duidelijk dat onze ambitie zou kunnen worden gerealiseerd.'

De medewerking van bedrijven is essentieel, niet alleen als sponsor, maar ook als informatieverstrekker. Zonder toegang tot bedrijfsarchieven is de techniekhistoricus vleugellam. Bedrijfsinformatie kan gevoelig liggen, zeker naarmate een kwestie recenter is. Openheid van zaken geven over het schenden van een margarine-octrooi in de negentiende eeuw zal Unilever gemakkelijker afgaan dan inzicht geven in het debacle van Omo Power. Toch verloopt de toegang tot archieven in het algemeen soepel, aldus projectleider Johan Schot verbonden aan de Universiteit Twente.

'Bedrijven vormen ook geen analyse-eenheid in dit project. Wij behandelen bedrijven als actor in de geschiedenis. Technische ontwikkeling is de analyse-eenheid.'

Er bestaat wel een verband tussen sponsorbijdragen en onderzoek, legt Schot desgevraagd uit: 'Als bijvoorbeeld Schiphol meer geld geeft voor onderzoek doen we meer onderzoek naar Schiphol. Maar dat zegt niets over hoeveel tekst we daarover uiteindelijk in de boeken schrijven.' De resultaten van al dat onderzoek kunnen uiteraard wel in een apart boek worden ondergebracht.

Schrijven over de geschiedenis van de twintigste eeuw brengt meer problemen met zich mee. De eeuw is bijvoorbeeld nog niet afgelopen. Daarvoor is een oplossing gevonden: het project laat de twintigste eeuw eindigen rond 1970, terwijl die begon in 1890, waar in het vorige project de negentiende eeuw ophield. Waarom? Schot: 'In de periode 1890-1970 treedt een aantal typerende veranderingen op. Er komen nieuwe sleuteltechnieken.' Stoom was zo'n sleuteltechniek in de negentiende eeuw. Rond de eeuwwisseling waren elektriciteit en de verbrandingsmotor hard aan hun opmars bezig. Dat zijn sleuteltechnieken omdat ze een kader schiepen waarbinnen allerlei ontwikkelingen konden plaatsvinden. De opmars van het strijkijzer of de radio geschiedde bij de gratie van alomtegenwoordige elektriciteit. Nederland liep overigens voorop bij de verspreiding van elektriciteit.

Een breed levende gedachte is dat de enorme stijging van de productiviteit in de twintigste eeuw een gevolg is van de toepassing van de lopende band. 'Waarschijnlijk is elektriciteit daarvoor veel belangrijker geweest', meent Schot. 'Dat onderzoeken we nu.' Want hoewel het eerste deel van de serie deze week verscheen, lopen tal van deelonderzoeken nog, zodat nog vele empirische vragen open staan.

Behalve door nieuwe sleuteltechnologieen werd deze periode gekenmerkt door de opkomst van multinationals en nieuwe managementtechnieken, aldus Schot. De consumptiesamenleving kwam op, de interventiestaat kreeg gestalte. 'Rond 1970 ontstaat daarentegen een nieuwe wereld, met nieuwe sleuteltechnieken: informatie- en communicatietechnologie, biotechnologie, enzovoorts. De grootschaligheid begon plaats te maken voor een netwerkmodel. De consumentenmarkt raakte versplinterd.'

Toch is 1970 als breukvlak meer omstreden dan 1890. In de inleiding van het eerste deel houden de auteurs dan ook een slag om de arm: 'Een andere visie is mogelijk. Het grootbedrijf blijft immers van groot belang, oude sleuteltechnieken zijn nog steeds vitaal, de consumptiemaatschappij bloeit als nooit tevoren en de staatsinterventie neemt op een nieuwe manier opnieuw toe. Zijn we niet gewoon in een nieuwe fase van de modernisering beland?'

Diezelfde onzekerheid heeft de redactie belet om een centraal beeld te kiezen als referentiepunt voor het verhaal, zoals de serie over de negentiende eeuw in wezen een afrekening was met het populaire beeld van de duffe wereld van Jan Salie en Pieter Stastok. Daarvoor is het wellicht ook allemaal wat te dichtbij. De negentiende eeuw is voor iedereen voltooid verleden tijd, de twintigste niet. Er bestaan wel gangbare beelden over de crisisjaren dertig, de wederopbouw, de jaren zestig, maar niet over de twintigste eeuw als geheel. Eigenlijk bestaat de twintigste eeuw nog niet.

    • Dick van Eijk