Rode sneeuw

Met een mengeling van ontroering en afgrijzen zag ik woensdag op de Belgische televisie rode sneeuw neerdalen op een handvol honderdjarigen de koning van Belgie en de koningin van Groot-Brittannie en hun gevolg van hoge officieren en diplomaten. De bloedrode vlokken dwarrelden uit de nok van de Menense Poort in Ieper - papieren klaprozenblaadjes. Langzaam kleurde het gezelschap rood, terwijl de jankende tonen van de Last Post wegstierven.

De klaproos symboliseert het in de Eerste Wereldoorlog vergoten bloed. (In Flanders fields the poppies blow / Between the crosses, row on row - elk Brits schoolkind leert deze regels.) Als ze in Ieper voor alle gesneuvelden een blaadje hadden laten vallen, zou er nu nog naar Elisabeth en Albert gegraven worden: het waren er zeven miljoen.

Lood- en loodzware symboliek, die vederlichte bloemblaadjes. Sentimentele kitsch ook, vandaar misschien mijn afgrijzen. Maar ik besefte tegelijk dat hier iets gebeurde waar ik moeilijk bij kan.

Een paar jaar geleden stond ik op 4 mei tijdens een dodenherdenking naast een meisje van tien. Ze wist waarom we daar waren, kende het beroemde gedicht Vrede van Leo Vroman en De achttien doden van Jan Campert, was in het Anne Frankhuis geweest en had van haar grootouders de verhalen uit de eerste hand gehoord. Zij is 33 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog geboren en ik 33 jaar na het einde van de Eerste, maar ik heb van die Eerste Wereldoorlog veel minder notie dan zij van de Tweede. Het verschil in kennis heeft dus niet zoveel te maken met de afstand in de tijd, maar met doorgegeven betrokkenheid, het al dan niet bestaan van een collectieve herinnering.

In het neutrale Nederland, waar de rampspoed van de Eerste Wereldoorlog, afgezien van voedselschaarste en toeloop van vluchtelingen, aan voorbij ging, heeft de Tweede Wereldoorlog de herinnering aan de eerste helft van de eeuw weggevaagd. Zelfs de nasleep van '14-'18 heeft hier geen sporen nagelaten. (Als je aan een gemiddelde student vraagt wat de 'revolutie van Troelstra' was, deze week tachtig jaar geleden, luidt het antwoord: 'Who the fuck was Troelstra?')

Voor de rest van Europa ligt de Tweede Wereldoorlog rechtstreeks in het verlengde van de Eerste, de 'Grote oorlog'.

In alle Franse dorpen en steden worden jaarlijks op 11 november de gevallenen herdacht bij hun talloze monumenten. In het Verenigd Koninkrijk komt het hele openbare leven op die dag om 11 uur tot stilstand; een vertoon dat uit de diepste lagen van het nationale bewustzijn lijkt op te wellen.

De reden om de tachtigste herdenking van de Eerste Wereldoorlog zo grootscheeps aan te pakken zou zijn geweest dat voor de laatste keer nog oorlogsveteranen en ooggetuigen, even oud als de eeuw, konden deelnemen. Maar ik geloof niet dat hun verscheiden iets zal veranderen aan de intensiteit van de herinnering. De Europese romankunst is door die oorlog gestempeld (van Barbusse tot Celine en van Remarque tot Junger). Niet alleen de literatuur, ook het toneel, de film en de schilderkunst hebben de herinnering erin geramd - geen herinnering aan grootsheid, maar aan waanzin. Het is de herinnering aan het moment waarop het cynisme zegevierde en er niets overbleef dan absolute zinloosheid, verlies van vertrouwen in de menselijke rede, in de hoop op een betere wereld in illusies over een maakbare toekomst.

De Frankfurter Allgemeine Zeitung herdacht 1918 met een beschouwing over een schilderij van Otto Dix. De Duitse schilder voltooide zijn gruwelijke Flandres, waarop het inferno van de loopgraven is afgebeeld, in 1936, toen hij als ontaarde kunstenaar al niet meer mocht exposeren. Hij wist op dat moment dat de oorlog die hij had geschilderd een vervolg zou krijgen en dat de slachtoffers in de loopgraven dus voor niets waren gecrepeerd. Dat was de verboden waarheid die hij in zijn apocalyptische schilderij tot uitdrukking bracht.

Bij de grote plechtigheden met vorstelijke personen ging het deze week desondanks weer over de mythe van heldendom en soldatenmoed.

In Frankrijk doorbrak premier Jospin echter na tachtig jaar een taboe op de waarheid. Hij bracht een bezoek aan Craonne waar in 1917 40.000 Franse soldaten aan het muiten sloegen tegen generaal Nivelle. Deze had een catastrofaal offensief bevolen zonder enig militair nut waar hij binnen twee weken 150.000 manschappen aan opofferde. De muiters kregen extreem zware straffen, vijfenzeventig van hen werden ter plekke geexecuteerd.

Tot in de jaren zeventig werden in Frankrijk films waarin deze 'fusilles pour l'exemple' ter sprake kwamen verboden. Jospin heeft nu de muiters officieel gerehabiliteerd. Niet toevallig: zijn vader werd ten tijde van Nivelles offensief als zeventienjarige door de Duitsers gevangen genomen. Als hoogbejaarde vertelde hij in 1989 in een film dat de stapels lijken in de straten waar hij als krijgsgevangene langs was gevoerd, hem zijn leven lang zijn bijgebleven.

Vaak is al opgemerkt dat de twintigste eeuw niet in 1900, maar in 1914 is begonnen (en volgens sommigen al in 1989 geeindigd). Uit de Eerste Wereldoorlog zijn het nazisme in Duitsland en de Russische revolutie van Lenin geboren. Wat daaraan voorafgaand door de politieke en economische elites en de militaire kaste van de Europese landen werd vernietigd, was een generatie die nog hoop had gekoesterd. De 19de-eeuwse socialisten geloofden nog in de illusie dat de 'arbeiders aller landen' zouden weigeren de wapens tegen elkaar op te nemen. Het tegendeel gebeurde: geestdriftig lieten zij zich naar de slachtbank leiden. Ooit vroeg iemand wiens naam ik me niet herinner: wat zou er gebeuren als de oorlog werd geproclameerd en niemand kwam opdagen? In 1914-1918 bleek wat het nationalisme vermag: vrijwel iedereen trad aan.

Ook de muiters tegen Nivelle kwamen te laat tot bezinning.

Wat Nederland er als herinnering aan overhield? De komst van onze beroemdste asielzoeker, de Duitse keizer Wilhelm II. Hij mocht overigens, met super-A-status in Doorn blijven wonen toen Duitsland allang weer tot veilig land was verklaard.